Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AE6383

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
19-06-2002
Datum publicatie
09-08-2002
Zaaknummer
WAHV 02/00337
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

WAHV 02/00337

19 juni 2002

CJIB 34491391

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank te Rotterdam

van 8 maart 2002

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

gevestigd te [plaatsnaam]

voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van fl 180,-- (= Euro€ 81,68) opgelegd ter zake van "overschrijding van de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom (gedragsregel); meer dan 20 km/h en t/m 25 km/h", welke gedraging zou zijn verricht op 19 april 2000 op de Abram van Rijckevorselweg te Rotterdam.

3.2. Door de gemachtigde zijn in reactie op het verweerschrift van de advocaat-generaal - "uiteindelijk" naar eigen zeggen - de argumenten aangegeven, waarom hij van oordeel is, dat de inleidende beschikking onjuist is. Het komt zakelijk weergegeven hierop neer, dat hij beredeneert dat, nu hij de flits waarnam onder het viaduct over de Van Rijckevorselweg, de meting van de snelheid ongeveer 0,8 seconde eerder moet hebben plaatsgevonden en dat hij mogelijk dan nog zou hebben gereden op een plaats, waar hij ter rechterzijde van de weg wel het bord van de bebouwde kom zou hebben gepasseerd, maar het bord bebouwde kom ter linkerzijde van de weg niet.

3.3. In aanmerking nemende dat de snelheid is gecontroleerd door middel van geijkte radarapparatuur met daaraan gekoppelde fotoapparatuur en dat de meetgegevens langs elektronische weg worden geregistreerd en verwerkt is niet aannemelijk dat, zoals de gemachtigde van de betrokkene stelt, er 0,8 seconde zou zijn verstreken tussen het moment dat zijn snelheid is gemeten en het moment dat hij de flits heeft waargenomen. Immers, naar de algemene ervaring leert vergen schakelingen langs elektronische weg slechts milliseconden, terwijl de snelheid van het licht zodanig groot is, dat het tijdsverloop tussen de flits en de visuele waarneming daarvan te verwaarlozen valt. Het hof ziet derhalve geen aanleiding om te twijfelen aan de in het zaakoverzicht weergegeven constatering dat de gedraging plaatsvond binnen de bebouwde kom, ook al blijkt uit het dossier niet de exacte plaats waar de radarapparatuur tijdens de meting heeft gestaan.

Daar komt nog bij, dat ook in de visie van de betrokkene hij zich tijdens de gedraging reeds bevond binnen de bebouwde kom. Immers op grond van artikel 10 van de Uitvoeringsvoorschriften BABW inzake verkeerstekens in samenhang met de specifieke voorschriften in paragraaf 4 van deze Uitvoeringsvoorschriften worden borden die het begin van de bebouwde kom aangeven geplaatst aan de rechterzijde van de weg, terwijl het bord, dat het einde van de bebouwde kom aangeeft links of rechts van de weg geplaatst kan worden.

3.4. Dat de betrokkene aanvoert, dat het bord aan de rechterzijde van de weg pas kort tevoren zichtbaar wordt kan, - wat daarvan ook zij - hem niet baten, nu hij blijkens de reactie op het verweerschrift zich kennelijk heeft georiënteerd op de bebording aan de linkerzijde van de weg en daaruit het begin van de bebouwde kom heeft afgeleid.

3.5. Voor zover de betrokkene zich erop beroept, dat hij zijn snelheid al bezig was aan te passen en een abrupte vermindering van zijn snelheid de veiligheid van het verkeer achter hem in gevaar zou brengen, overweegt het hof, dat hij zijn snelheid tijdig zodanig had dienen aan te passen, dat bij het passeren van het bord "bebouwde kom" geen abrupte snelheidsvermindering behoefde plaats te vinden om de maximumsnelheid niet te overschrijden, terwijl niet is aangevoerd, noch anderszins aannemelijk is geworden, dat een motorvoertuig op zodanige korte afstand achter het motorvoertuig van de betrokkene reed, dat hij het verkeer achter zich in gevaar zou hebben gebracht door tijdig zijn snelheid aan te passen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mrs. Vellinga, Dijkstra en Van Dijk, in tegenwoordigheid van mr. Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.