Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AE6328

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
17-07-2002
Datum publicatie
08-08-2002
Zaaknummer
WAHV 02-00375
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2002, 317

Uitspraak

WAHV 02/00375

17 juli 2002

CJIB 19041397119

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank te Amsterdam

van 15 januari 2002

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats].

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen, maar heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van f 180,-- opgelegd ter zake van "niet stoppen voor rood licht bij driekleurig verkeerslicht", welke gedraging zou zijn verricht op 26 maart 2001 op de Noordammerlaan te Amsterdam. In de beschikking wordt als feitcode vermeld R602. In de beslissing van de officier van justitie op het beroep van de betrokkene is de pleegplaats gecorrigeerd in Amstelveen.

3.2. De betrokkene stelt dat op het moment waarop hij met de helft van zijn voertuig de stopstreep was gepasseerd het verkeerslicht oranje licht uitstraalde, dat hij vervolgens zijn snelheid inhield vanwege rechtdoor gaand fiets-/scooterverkeer, dat hij daarna rechtsaf sloeg terwijl het verkeerslicht op dat moment rood licht uitstraalde. Derhalve zou hij niet gedurende de gehele manoeuvre, maar eerst aan het einde van de manoeuvre door rood zijn gereden. Bij het beroepschrift heeft de betrokkene een situatieschets overgelegd.

3.3. De bij voormelde feitcode behorende gedraging is een overtreding van het voorschrift van art. 62 in verbinding met art. 68, eerste lid, aanhef en sub c, RVV 1990.

Art. 62 RVV 1990 luidt:

Weggebruikers zijn verplicht gevolg te geven aan de verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden.

Art. 68, eerste lid, aanhef en sub c, RVV 1990 houdt in:

Bij driekleurige verkeerslichten betekent rood licht: stop.

Art. 79 RVV 1990 luidt: Bestuurders moeten voor een voor hen bestemde stopstreep stoppen, indien stoppen op grond van dit besluit is verplicht.

3.4. Uit art. 68, eerste lid, aanhef en onder c, RVV 1990 in verbinding met art. 79 RVV 1990 volgt dat de gedraging "als weggebruiker niet stoppen voor rood licht bij een driekleurig verkeerslicht" moet worden geacht te zijn verricht indien het desbetreffende voertuig voor rood licht niet is gestopt vóór de stopstreep (vgl. HR 7 juni 1994, DD 94.381).

3.5. Bij de stukken van het geding bevindt zich een zaakoverzicht van het CJIB dat als toelichting van de verbalisant, opgemaakt op ambtsbelofte, onder meer inhoudt:

"Het verkeerslicht stond ongeveer 2 seconden op rood op het moment dat de betrokkene dit negeerde."

3.6. In aanmerking genomen, dat "negeren" bezwaarlijk anders kan worden uitgelegd dan dat op het ogenblijk dat de betrokkene met zijn voertuig de stopstreep ging overschrijden en dat blijkens de ambtelijke toelichting het verkeerslicht reeds 2 seconden rood licht uitstraalde, is naar de overtuiging van het hof vast komen te staan dat de betrokkene met het door hem bestuurde voertuig niet is gestopt vóór de stopstreep toen het onderhavige verkeerslicht reeds rood licht uitstraalde. Gelet op het onder 3.4 overwogene is de gedraging derhalve verricht. Hetgeen de betrokkene stelt behoeft daarom geen bespreking.

3.7. Met betrekking tot de stelling van de betrokkene dat de verbalisant geen zin had om de betrokkene staande te houden, overweegt het hof het volgende. Art. 5 WAHV moet aldus worden verstaan dat ingeval zich een reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder van het motorrijtuig waarmee de geconstateerde gedraging is verricht, voordoet, die bepaling buiten toepassing dient te blijven en de sanctie aan die bestuurder dient te worden opgelegd (HR 1 februari 2000, VR 2000, 104). Het mini proces-verbaal, op 27 maart 2001 op ambtsbelofte opgemaakt door J.R. Levant houdt - onder meer - in: "Betrokkene niet staande kunnen houden. Verbalisant stond op andere rijstrook voorgesorteerd." Naar 's hofs oordeel heeft de verbalisant tot uitdrukking gebracht en ook kunnen brengen dat zich aldus geen reële mogelijkheid tot staandehouding heeft voorgedaan, zodat de stelling van de betrokkene niet aannemelijk is geworden.

3.8. Gelet op het vorenoverwogene dient de beslissing van de kantonrechter te worden bevestigd.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr. Weenink, in tegenwoordigheid van mr. Muntinga als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.