Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AE6289

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
02-08-2002
Datum publicatie
07-08-2002
Zaaknummer
BK 890/01
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2002-1599
V-N 2002/39.2.5
V-N 2002/61.1.11
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 890/01 2 augustus 2002

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, eerste enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid particulieren van de belastingdienst te Groningen (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de haar opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1998.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 De belanghebbende werd voor het jaar 1998 in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen aangeslagen naar een belastbaar inkomen als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964, gelijk deze wet voor het onderhavige jaar gold, (hierna te noemen: de Wet) van ƒ 41.061,--.

1.2 Op het tijdig ingediende bezwaar van de belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 19 oktober 2001 de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 37.894,--.

1.3 Tegen deze uitspraak is de belanghebbende in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen), hetwelk op 13 november 2001 is ingekomen. Bij schrijven (met bijlagen), ingekomen op 28 december 2001 heeft de belanghebbende dit beroepschrift aangevuld.

1.4 Het verweerschrift (met bijlagen) van de inspecteur is op 29 januari 2002 bij het gerechtshof ingekomen.

1.5 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van het gerechtshof op 15 mei 2002, gehouden te Groningen, alwaar aanwezig waren drs. A als gemachtigde van de belanghebbende, alsmede de inspecteur.

1.6 Ter voormelde zitting heeft de gemachtigde van de belanghebbende de door hem ter zitting voorgedragen pleitnota overgelegd. De voorzitter heeft de gemachtigde van de belanghebbende ter zitting - zonder bezwaar van de zijde van de inspecteur - in de gelegenheid gesteld om de in de pleitnota genoemde bijlage binnen twee weken na 15 mei 2002 aan het gerechtshof te zenden.

1.7 Op 22 mei 2002 is bij het gerechtshof een brief van de gemachtigde van de belanghebbende ingekomen, waarin hij meedeelt dat hij afziet van het indienen van de onder punt 1.6 bedoelde bijlage.

1.8 De inspecteur heeft bij brief, ingekomen op 31 mei 2002, het gerechtshof laten weten dat de gemachtigde van de belanghebbende - naar ter zitting was afgesproken - hem geen afschrift van de onder punt 1.7 vermelde brief heeft gezonden.

1.9 Het gerechtshof heeft in deze zaak op 29 mei 2002 in het openbaar mondeling uitspraak gedaan, waarvan het proces-verbaal bij aangetekend schrijven, ter post bezorgd op 4 juni 2002, aan partijen is verzonden.

1.10 Bij schrijven ingekomen op 17 juni 2002 heeft de belanghebbende op de wijze als bedoeld in artikel 27d van de Algemene wet rijksbelastingen verzocht vorenbedoelde uitspraak te vervangen door een schriftelijke.

1.11 De griffier heeft de belanghebbende bij aangetekend schrijven, ter post bezorgd op 19 juni 2002, gewezen op het verschuldigde griffierecht en de belanghebbende heeft vervolgens op 27 juni 2002 dat griffierecht voldaan.

1.12 Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.1 De belanghebbende, geboren op 8 april 1951 en ongehuwd, ontving in het onderhavige jaar een wachtgelduitkering van de B van ƒ 46.176,--. Naast deze uitkering genoot de belanghebbende in 1998 geen andere inkomsten uit arbeid. Aan de Open Universiteit volgde de belanghebbende in 1998 een wetenschappelijke opleiding bedrijfskunde.

2.2 Aan de belanghebbende is een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van

ƒ 41.061,--. Daarbij heeft de inspecteur alsnog de rentevrijstelling toegepast, de drempel betreffende de buitengewone lasten ter zake van studiekosten verlaagd met ƒ 132,-- en een (extra) bedrag van ƒ 570,-- als buitengewone lasten ter zake van ziektekosten in aftrek toegelaten. Daarnaast heeft de inspecteur een bedrag van in totaal ƒ 7.004,-- (bestaande uit rekenfouten, kosten van de repetitor en congreskosten) niet als buitengewone lasten ter zake van studiekosten in aanmerking genomen.

2.3 Op het op 19 oktober 2000 ingediende en op 23 november 2000 gemotiveerde bezwaarschrift van de belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak het belastbare inkomen verminderd tot op ƒ 37.894,--. Daarbij heeft de inspecteur de kosten van de repetitor alsnog in aanmerking genomen. Tevens heeft de inspecteur de drempel betreffende de buitengewone lasten ter zake van ziektekosten verlaagd met ƒ 122,--.

3. Het geschil en de standpunten van partijen

3.1 In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

a. heeft de inspecteur tijdig uitspraak op belanghebbendes bezwaarschrift gedaan en heeft de inspecteur deze uitspraak schriftelijk gemotiveerd?

b. heeft de inspecteur belanghebbendes aangifte terecht en op de juiste gronden gecorrigeerd?

3.2 De belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend. Daar naar haar mening een inhoudelijke motivering van de bestreden uitspraak ontbreekt, dient de aanslag te worden vastgesteld in overeenstemming met haar brief d.d. 4 juli 2001.

3.3 De inspecteur bestrijdt belanghebbendes grieven.

3.4 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Ter zitting hebben zij daaraan geen argumenten toegevoegd.

4. De overwegingen omtrent het geschil

Formeel

4.1 Ingevolge artikel 25, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen doet de inspecteur, in afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (: Awb), binnen een jaar na ontvangst van het bezwaarschrift uitspraak daarop. Naar het bepaalde van artikel 7:10, tweede lid, van de Awb wordt de termijn opgeschort met ingang van de dag waarop de indiener is verzocht een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb te herstellen, tot de dag waarop het verzuim is hersteld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.

4.2 Op 19 oktober 2000 heeft de belanghebbende een pro-forma bezwaarschrift ingediend bij de inspecteur. Op verzoek van de inspecteur heeft zij dit bezwaarschrift bij brief, bij de inspecteur ingekomen op 23 november 2000, gemotiveerd. Nu de belanghebbende haar verzuim op 23 november 2000 heeft hersteld en de inspecteur op 19 oktober 2001 uitspraak heeft gedaan op het bezwaarschrift, kan op grond van hetgeen onder punt 3.1 is overwogen niet worden gezegd dat de inspecteur zich niet heeft gehouden aan de wettelijke beslistermijn. Hoewel § 6.2.7 van het Voorschrift Algemene wet bestuursrecht 1997 (: het Voorschrift) de inspecteur voorschrijft de bezwaarschriften binnen de termijnen van de Awb af te handelen, kan de belanghebbende ingevolge genoemde paragraaf van het Voorschrift geen beroep instellen wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift indien de inspecteur de termijn van artikel 7:10 van de Awb niet realiseert. Belanghebbendes stelling dat de inspecteur niet tijdig uitspraak heeft gedaan op haar bezwaarschrift dient derhalve te falen.

4.3 In zijn verweerschrift alsmede ter zitting heeft de inspecteur uitgebreid aangegeven dat hij de motivering van de uitspraak op het bezwaarschrift bij brief van 5 oktober 2001 en - naar aanleiding van brieven van de belanghebbende - als bijlage bij brieven van 8 november 2001 en 7 december 2001 heeft gezonden naar het huisadres van de belanghebbende. Het gerechtshof heeft geen reden hieraan te twijfelen. Nu de inspecteur tot drie maal toe een schriftelijke motivering van de bestreden uitspraak naar de belanghebbende heeft gezonden en de inspecteur - naar hij heeft verklaard - geen post retour heeft ontvangen, acht het gerechtshof het aannemelijk dat de onderhavige motivering de belanghebbende heeft bereikt. Dat in de adressering van de brief van 5 oktober 2001 per abuis de woonplaats Groningen is weggelaten doet hieraan niets af. De inspecteur heeft deze brief immers niet retour ontvangen, terwijl evenmin is gesteld noch gebleken dat de adressering overigens onjuist is. Het gerechtshof gaat dan ook voorbij aan belanghebbendes stelling dat zij de motivering van de uitspraak op het bezwaarschrift niet (tijdig) heeft ontvangen. Ten overvloede merkt het gerechtshof op dat het ontbreken van een motivering van de uitspraak alsmede de door de belanghebbende gestelde overige nalatigheden van de inspecteur - wat daar ook van zij - niet kunnen leiden tot vernietiging van de bestreden uitspraak dan wel verlaging van de aanslag nu vaste jurisprudentie van de Hoge Raad leert dat in de belastingrechtspraak voor terugverwijzing naar de inspecteur geen plaats is en de belastingrechter in een voorkomend geval dient te doen wat de inspecteur had behoren te doen.

Materieel

4.4 Buitengewone lasten ter zake van ziektekosten

Naar het oordeel van het gerechtshof heeft de inspecteur in zijn verweerschrift terecht aangegeven dat hij bij het vaststellen van het belastbare inkomen ten onrechte geen rekening heeft gehouden met een bedrag van ƒ 165,-- aan ziektekosten.

4.5 Buitengewone lasten ter zake van studiekosten

Het gerechtshof volgt de door de inspecteur geconstateerde rekenfouten van in totaal ƒ 2.803,--, nu hiervan blijkt uit de door de inspecteur in zijn verweerschrift genoemde bijlagen en de belanghebbende bovendien niet, dan wel onvoldoende heeft aangegeven dat van rekenfouten geen sprake is. Met betrekking tot de door de belanghebbende opgevoerde verblijf- en maaltijdkosten is het gerechtshof vervolgens met de inspecteur van oordeel dat uitgaven voor levensonderhoud volgens vaste jurisprudentie niet behoren tot de uitgaven ter zake van opleiding of studie voor beroep in de zin van artikel 46, eerste lid, aanhef en onderdeel c van de Wet. Derhalve heeft de inspecteur de verblijf- en maaltijdkosten betreffende de deelname aan het C terecht niet als studiekosten in aftrek toegelaten. Deze kosten kunnen naar het oordeel van het gerechtshof evenmin als aftrekbare beroepskosten in aanmerking worden genomen, daar zij naar hun aard niet kunnen worden aangemerkt als op de wachtgelduitkering drukkende kosten tot werving, inning en behoud van die uitkering in de zin van artikel 35, eerste lid, van de Wet.

4.6 In zijn verweerschrift heeft de inspecteur opgemerkt dat hij ten onrechte een bedrag van ƒ 117,-- aan studeerkamerverlichting en een bedrag van ƒ 293,-- aan brandstofkosten als buitengewone lasten ter zake van studiekosten in aftrek heeft toegelaten. Zoals de inspecteur terecht heeft opgemerkt kunnen deze kosten op grond van het bepaalde in artikel 46, achtste lid, van de Wet niet als studiekosten worden aangemerkt. Evenmin kunnen de kosten ter zake van de studeerkamerverlichting als aftrekbare beroepskosten (als kosten van een werkkamer naar de belanghebbende heeft betoogd) in aanmerking worden genomen, daar deze kosten naar hun aard niet kunnen worden aangemerkt als op de wachtgelduitkering drukkende kosten tot werving, inning en behoud van die uitkering in de zin van artikel 35, eerste lid, van de Wet.

4.7 Hoewel de inspecteur, zoals weergegeven onder punt 3.4, een bedrag van ƒ 165,-- aan ziektekosten ten onrechte niet in aftrek heeft toegelaten, komt het gerechtshof, reeds gezien het onder punt 3.6 overwogene, tegemoet aan het door de inspecteur ingenomen standpunt dat er geen ruimte is het belastbare inkomen te verlagen. Het ten onrechte niet in aftrek toegelaten bedrag van

ƒ 165,-- wordt immers gecompenseerd met de in punt 3.6 genoemde ten onrechte in aanmerking genomen bedragen.

4.8 Nu de belanghebbende overigens geen feiten en omstandigheden heeft aangedragen die tot een verlaging van de onderhavige aanslag kunnen leiden, treft belanghebbendes beroep geen doel.

5. De proceskosten:

Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

6. De beslissing:

Het gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Gedaan op 2 augustus 2002 door prof. mr. E. Aardema , vice-president, lid van de eerste enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van de griffier mevr. mr. M. Hiemstra en op die dag in het openbaar uitgesproken. Ondertekend door mr. H.S. Pruiksma, vice-president, plaatsvervangend lid van de eerste enkelvoudige belastingkamer en door voornoemde griffier. Prof. mr. Aardema was verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.

Op 7 augustus 2002 afschrift aangetekend

verzonden aan beide partijen.