Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AE6281

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
02-08-2002
Datum publicatie
07-08-2002
Zaaknummer
BK 846/01
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 846/01 2 augustus 2002

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, tweede enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van de heffingsambtenaar van de gemeente Lemsterland (: de heffingsambtenaar), gedaan op het bezwaarschrift van de belanghebbende tegen de ten aanzien van hem genomen beschikking ingevolge de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet).

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Ingevolge de Wet heeft de heffingsambtenaar de waarde met betrekking tot de onroerende zaak gelegen aan de a-straat 18 te Z bij beschikking vastgesteld op ƒ 684.000,--.

1.2 Op het tijdig ingediende bezwaar van de belanghebbende heeft de heffingsambtenaar voormelde waarde bij de bestreden uitspraak van 20 september 2001 gehandhaafd.

1.3 De belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen), hetwelk op 1 november 2001 ter griffie is ingekomen.

1.4 De heffingsambtenaar heeft op 14 januari 2002 een verweerschrift (met bijlagen) ingediend.

1.5 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van het gerechtshof op 24 juni 2002, gehouden te Leeuwarden, alwaar namens de heffingsambtenaar verschenen de heer A, verbonden aan B B.V. te L, en mevrouw C. De belanghebbende is niet ter zitting verschenen, hoewel hij bij aangetekende brief met ontvangstbevestiging van 15 mei 2002 aan het in het beroepschrift opgegeven adres is uitgenodigd voor deze zitting. De ontvangstbevestiging is getekend teruggekomen.

1.6 Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten

Op grond van de gedingstukken en het ter zitting verhandelde staat tussen de partijen als niet, dan wel onvoldoende weersproken het volgende vast:

2.1 Bij beschikking van 28 februari 2001 is door de heffingsambtenaar ten aanzien van de belanghebbende als eigenaar en/of gebruiker van de onroerende zaak gelegen aan de a-straat 18 te Z (: de onroerende zaak) de waarde van die onroerende zaak vastgesteld. De beschikking geldt voor het tijdvak van 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004. De onroerende zaak betreft een in 1997 gebouwde villa.

2.2 De door de heffingsambtenaar aan de onroerende zaak toegekende waarde bedraagt per waardepeildatum 1 januari 1999 ƒ 684.000,-- Bij de bestreden uitspraak is deze vastgestelde waarde gehandhaafd.

2.3 De belanghebbende heeft op de onroerende zaak op 18 januari 1999 gekocht voor een bedrag van ƒ 700.000,--.

3. Het geschil en de standpunten van partijen

3.1 Partijen twisten over de waarde van de onroerende zaak per 1 januari 1999.

3.2 De belanghebbende is van mening dat de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak op een te hoog bedrag heeft vastgesteld.

3.3 De heffingsambtenaar bestrijdt belanghebbendes grieven.

3.4 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Ter zitting zijn daaraan geen argumenten toegevoegd.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1 Zoals blijkt uit het bepaalde in de artikelen 17 en 18, eerste lid, van de Wet wordt de waarde bepaald op de waarde die per 1 januari 1999 aan de onderwerpelijke onroerende zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen.

4.2 Ingevolge artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken, wordt de in artikel 17, tweede lid, van de Wet bedoelde waarde voor woningen onder meer bepaald door middel van een methode van vergelijking met referentiewoningen.

4.3 Op de heffingsambtenaar rust - bij betwisting - de last aannemelijk te maken dat de waarde per 1 januari 1999 - met inachtneming van de Wet - niet hoger is vastgesteld dan de waarde in het economische verkeer per genoemde datum. Ter onderbouwing van de door hem vastgestelde waarde verwijst de heffingsambtenaar onder meer naar het op 7 december 2001 door de heer D, beëdigd makelaar en gediplomeerd WOZ-taxateur, verbonden aan B B.V. te L, opgemaakte taxatierapport. De belanghebbende heeft geen taxatierapport van een deskundige of gegevens van gelijk gewicht in het geding gebracht.

4.4 Naar het oordeel van het gerechtshof is de heffingsambtenaar, gelet op het goed onderbouwde taxatierapport, in de op hem rustende bewijslast geslaagd. Ter motivering van de door hem vastgestelde waarde heeft de heffingsambtenaar verwezen naar de door de belanghebbende voor de onroerende zaak overeengekomen koopprijs ad ƒ 700.000,-- d.d. 18 januari 1999. De belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat deze koopprijs ter bepaling van de waarde niet bruikbaar is. Voorts heeft de heffingsambtenaar een tweetal vergelijkingspercelen aangedragen. Deze vergelijkingspercelen zijn naar het oordeel van het gerechtshof een redelijke afspiegeling van de markt ten tijde van de peildatum. De verschillen tussen de aangedragen vergelijkingspercelen en belanghebbendes onroerende zaak zijn in het onderwerpelijke taxatierapport voldoende tot uitdrukking gebracht.

4.5 Naar het gerechtshof de belanghebbende begrijpt, beroept hij zich op het gelijkheidsbeginsel door te stellen dat de vastgestelde waarde ad ƒ 537.000,-- voor de aan de a-straat 20 te Z gelegen onroerende zaak ten opzichte van de vorige voor die onroerende zaak vastgestelde WOZ-waarde slechts met 27,86% is gestegen, terwijl de onderhavige vastgestelde waarde voor zijn onroerende zaak ten opzichte van de vorige vastgestelde WOZ-waarde met 113,75% is verhoogd. Naar het oordeel van het gerechtshof is de vorige waardevaststelling thans niet relevant, zodat de waardestijging ten opzichte van de vorige waardepeildatum niet ter zake doet. Daarnaast heeft de belanghebbende naar het oordeel van het gerechtshof, te meer nu hij zelf heeft aangegeven dat de inhoud en oppervlakte van de aan de a-straat 20 gelegen onroerende zaak verschilt met zijn onroerende zaak, niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van gelijke gevallen die een gelijke behandeling behoeven. Belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel kan derhalve niet slagen.

4.6 Ook anderszins zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen die een verlaging van de vastgestelde waarde rechtvaardigen.

4.7 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de heffingsambtenaar het gelijk aan zijn zijde heeft.

5. De proceskosten

Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Gedaan op 2 augustus 2002 door mr. H.S. Pruiksma, vice-president, in tegenwoordigheid van de griffier mevr. mr. M. Hiemstra en op die dag in het openbaar uitgesproken en ondertekend door voornoemde vice-president en door voornoemde griffier.

Op 7 augustus 2002 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.