Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AE6260

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
19-06-2002
Datum publicatie
07-08-2002
Zaaknummer
WAHV 02-00359
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 9, geldigheid: 2002-06-19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2002, 193

Uitspraak

WAHV 02/00359

19 juni 2002

CJIB 99042118519

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter in de rechtbank te Leeuwarden

van 28 februari 2002

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Leeuwarden ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen, maar heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van ƒ 250,-- opgelegd ter zake van "de doorgetrokken streep overschrijden tussen rijstroken/op paden met verkeer in beide richtingen naar links", welke gedraging zou zijn verricht op 11 mei 2001 op de Rijksweg N-31 te Harlingen.

3.2. De betrokkene ontkent niet de gedraging te hebben verricht. De omstandigheden waaronder de gedraging is verricht zijn naar de mening van betrokkene echter zodanig dat zij het opleggen van een administratieve sanctie niet billijken. Daartoe voert de betrokkene aan, zakelijk weergegeven, dat er in verband met een openstaande brug slechts sprake was van stilstaand verkeer op de rechterrijstrook en er zich geen verkeer bevond op de linkerrijstrook en dat zijn handelen, bestaande uit het keren van zijn auto en het daarbij overschrijden van een doorgetrokken streep, derhalve geen gevaar voor weggebruikers kon opleveren.

3.3. Art. 76 aanhef en onder a RVV 1990 luidt als volgt:

"Een doorgetrokken streep heeft de volgende betekenis:

a. indien de streep zich bevindt tussen rijstroken dan wel op paden, met verkeer in beide richtingen: bestuurders mogen de streep niet naar links overschrijden en zich niet links van de streep bevinden, tenzij aan de rechter zijde van de doorgetrokken streep een onderbroken streep is aangebracht;"

3.4. Met het oog op een veilige en vlotte verkeersafwikkeling is het niet toegestaan om de doorgetrokken streep naar links te overschrijden indien de streep zich bevindt tussen rijstroken met verkeer in beide richtingen, tenzij aan de rechter zijde van de doorgetrokken streep een onderbroken streep is aangebracht. Dit verbod geldt ongeacht of door het naar links overschrijden van de doorgetrokken streep gevaar of hinder wordt veroorzaakt.

3.5. Het verbod neergelegd in art. 76 RVV 1990 is bij uitstek gegeven ter bescherming van het tegemoet komende verkeer. De hoogte van de aan de gedraging verbonden sanctie van ƒ 250,- is met name daaraan gerelateerd.

3.6. Nu in de situatie waarin de gedraging van de betrokkene is vastgesteld er geen sprake was van tegemoetkomend verkeer en ook niet kon zijn door, zoals de betrokkene onweersproken stelt, de geopende brug, geeft dit aanleiding om te oordelen dat de gedraging heeft plaatsgevonden onder omstandigheden die behoren te leiden tot een lagere sanctie, en wel van ƒ 125,-, zijnde €Euro 56,72. Daarbij tekent het hof aan dat in de onderhavige situatie het gevaar niet alleen afkomstig kan zijn van het tegemoetkomend verkeer en dat derhalve niet ieder gevaar bij het negeren van de doorgetrokken streep ontbreekt, al was het alleen al omdat in een dergelijke situatie andere weggebruikers ervan mogen uitgaan dat ook onder deze omstandigheden het gebod van art. 76 RVV 1990 wordt nageleefd en daar hun gedrag op afstemmen. Derhalve is voor verdere vermindering van de sanctie geen plaats.

3.7. Het beroep is ten dele gegrond. Voor het overige faalt het.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

verklaart het beroep ten dele gegrond;

vernietigt de beslissing van de kantonrechter en de beslissing van de officier van justitie voor zover daarbij het bedrag van de sanctie in stand is gelaten;

wijzigt het bedrag van de administratieve sanctie in € Euro 56,72 (= fl 125,-);

bepaalt dat van hetgeen door de betrokkene op de voet van art. 11 WAHV tot zekerheid is gesteld een bedrag van € Euro 56,72 (= fl 125,-) aan deze door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd.

Dit arrest is gewezen door mrs. Vellinga, Kalsbeek en Van Dijk, in tegenwoordigheid van mr. Hiemstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.