Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AE6130

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
19-06-2002
Datum publicatie
05-08-2002
Zaaknummer
WAHV 02-00198
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 11, geldigheid: 2002-06-19
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 14, geldigheid: 2002-06-19
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 20d, geldigheid: 2002-06-19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2002, 294
VR 2002, 170

Uitspraak

WAHV 02/00198

19 juni 2002

CJIB 38529466

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter te Amsterdam

van 25 oktober 2001

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 14 (oud) WAHV kan tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep bij het gerechtshof te Leeuwarden worden ingesteld, indien de opgelegde administratieve sanctie bij die beslissing meer bedraagt dan ƒ 150,--, of indien de betrokkene niet-ontvankelijk is verklaard wegens het niet of niet tijdig stellen van zekerheid als bedoeld in art. 11, derde lid, WAHV. De aan de betrokkene opgelegde sanctie bedraagt ƒ 60,--.

3.2. In zijn hoger beroepschrift klaagt de betrokkene, dat ondanks zijn herhaalde verzoeken om toezending van de stukken hieraan, behoudens de toezending van een tweetal foto's van de gedraging, niet is voldaan.

3.3. Artikel 11, vierde lid, (oud) WAHV bepaalt, dat alle op een beroepschrift betrekking hebbende stukken, indien zekerheidstelling heeft plaatsgevonden, worden nedergelegd ter griffie van het kantongerecht. Hiervan wordt door de griffier mededeling gedaan aan degene die het beroep heeft ingesteld. De betrokkene of zijn gemachtigde kan binnen een door de kantonrechter bepaalde en aan hem door de griffier medegedeelde termijn, deze stukken inzien en daarvan afschriften of uittreksels vragen.

3.4. Bij het beroepschrift tegen de beslissing van de officier van justitie d.d. 8 augustus 2001 heeft de gemachtigde van de betrokkene verzocht een kopie te ontvangen "van de stukken, zoals het opgemaakte politierapport van de vermeende overtreding, zaakoverzicht en dgl." Ten onrechte is aan dit verzoek geen gevolg gegeven.

3.5. Het hof is van oordeel dat (een beroep op) schending van zo fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging dat geen sprake is van een eerlijke en onpartijdige behandeling doorbreking van het appelverbod van art. 14, eerste lid, WAHV wettigt. Onder omstandigheden kan een dergelijke schending gelegen zijn in het niet op verzoek verstrekken van essentiële processtukken, zoals bijvoorbeeld het zaakoverzicht.

3.6. Echter in aanmerking nemende,

a. dat aan de betrokkene de foto's van de gedraging die tot de inleidende beschikking hebben geleid zijn toegezonden,

b. dat de stukken voorafgaande aan de zitting ter inzage hebben gelegen en de gemachtigde van de betrokkene daarvan bericht heeft gekregen,

c. dat niet ter discussie heeft gestaan dat de gedraging is verricht met het voertuig, waarvan het kenteken staat op naam van de betrokkene,

d. dat de gemachtigde van de betrokkene blijkens het proces-verbaal van de zitting de bezwaren tegen de inleidende beschikking, - met name dat tegen de wil van de betrokkene van het motorrijtuig gebruik is gemaakt en dat zij dat gebruik redelijkerwijs niet heeft kunnen verhinderen -, aan het oordeel van de kantonrechter heeft kunnen onderwerpen,

kan niet gezegd worden, dat de kantonrechter zo fundamentele beginselen van een behoorlijke rechtspleging heeft geschonden dat geen sprake is van een eerlijke en onpartijdige behandeling. Voor een doorbreking van het appelverbod van art. 14, eerste lid, WAHV is derhalve geen plaats. Dat betekent, dat de overige door de betrokkene aangevoerde bezwaren tegen de beslissing van de kantonrechter door het hof niet beoordeeld kunnen worden.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. Vellinga, Dijkstra en Kalsbeek, in tegenwoordigheid van mr. Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.