Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AE6128

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
19-06-2002
Datum publicatie
05-08-2002
Zaaknummer
WAHV 02-00178
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:2, geldigheid: 2002-06-19
Algemene wet bestuursrecht 6:20, geldigheid: 2002-06-19
Algemene wet bestuursrecht 7:24, geldigheid: 2002-06-19
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 14, geldigheid: 2002-06-19
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 20d, geldigheid: 2002-06-19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2003, 1

Uitspraak

WAHV 02/00178

19 juni 2002

CJIB 34658793

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter te Breda

van 31 augustus 2001

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

voor wie als gemachtigde optreedt drs. M.J.G. Schroeder, wonende te Rotterdam.

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen het niet tijdig beslissen door de officier van justitie op het beroepschrift van 3 juli 2000 ongegrond verklaard, het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Breda van 8 februari 2001 niet-ontvankelijk verklaard en de Staat der Nederlanden veroordeeld tot het vergoeden van de kosten van de procedure, begroot op ƒ 355,-. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking als kentekenhouder een administratieve sanctie van fl 110,-- opgelegd ter zake van "overschrijding van de maximumsnelheid op autosnelwegen (verkeersbord A1); meer dan 15 km/h en t/m 20 km/h", welke gedraging zou zijn verricht op 13 mei 2000 op de Rijksweg A16, westbaan, te Breda.

3.2. Bij brief d.d. 3 juli 2000 is namens de betrokkene tegen de inleidende beschikking - tijdig - beroep ingesteld bij de officier van justitie. Op 23 augustus 2000 zond de officier van justitie een ontvangstbevestiging van het beroepschrift aan de gemachtigde van de betrokkene.

Bij brief d.d. 23 december 2000 diende de gemachtigde namens de betrokkene een aan de kantonrechter gericht beroepschrift in bij de officier van justitie - kort gezegd - inhoudende dat de officier van justitie ten onrechte niet tijdig op eerstgenoemd beroepschrift had beslist.

Bij beslissing van 30 januari 2001 heeft de officier van justitie het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Bij schrijven van 8 februari 2001 van het CJIB is deze beslissing aan de betrokkene, alsmede aan de gemachtigde van de betrokkene verzonden, onder mededeling van de wijze waarop beroep kan worden ingesteld.

Bij brief van 22 maart 2001, blijkens een daarop geplaatst stempel op 27 maart 2001 ingekomen ten parkette van de officier van de justitie, heeft de betrokkene beroep ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie van 8 februari 2001.

3.3. In aanmerking genomen dat de officier van justitie niet binnen de in art. 7:24 Awb genoemde termijn op het beroepschrift d.d. 3 juli 2000 heeft beslist, heeft betrokkene beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit als bedoeld in art. 6:2 aanhef en onder b Awb. Dit beroep is niet onredelijk laat ingesteld. Waar de officier van justitie alsnog een beslissing op het beroep heeft genomen, voordat de kantonrechter heeft beslist over het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit, en daarbij niet aan het bezwaar van de betrokkene is tegemoet gekomen, wordt ingevolge het bepaalde in artikel 6:20, vierde lid, Awb het beroep tegen het niet tijdig beslissen mede geacht te zijn gericht tegen de reële beslissing, verzonden op 8 februari 2001.

3.4. In het licht van het bepaalde in art. 6:20 Awb (eerste lid: "Indien het bezwaar of beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, blijft het bestuursorgaan verplicht een besluit op de aanvraag te nemen." en zesde lid: "Het bezwaar of beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag kan alsnog gegrond worden verklaard, indien de indiener van het bezwaar- of beroepschrift daarbij belang heeft."), moet de beslissing van de kantonrechter geacht worden als één geheel betrekking te hebben op de beslissing van de officier van justitie, verzonden op 8 februari 2001, én het hiervoor bedoelde niet tijdig beslissen.

3.5. Ingevolge het bepaalde in artikel 14 (oud) WAHV kan tegen de beslissing van het kantongerecht hoger beroep bij het gerechtshof te Leeuwarden worden ingesteld, indien de opgelegde sanctie bij die beslissing meer bedraagt dan ƒ 150,-- of indien de betrokkene niet-ontvankelijk is verklaard wegens het niet of niet tijdig stellen van zekerheid als bedoeld in art. 11, derde lid, WAHV. In het onderhavige geval heeft de kantonrechter de betrokkene niet ontvankelijk verklaard in zijn beroep tegen de beslissing van de officier d.d. 8 februari 2001, op grond dat de betrokkene niet tijdig in beroep zou zijn gekomen tegen die beslissing, terwijl de hoogte van de sanctie ƒ 110,-- bedraagt. De WAHV biedt in een zodanig geval niet de mogelijkheid hoger beroep bij het gerechtshof in te stellen.

3.6. Met betrekking tot de vraag of betrokkene desondanks in zijn hoger beroep tegen voormelde beslissing kan worden ontvangen is het volgende van belang.

3.7. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel, dat heeft geleid tot de Wet van 28 oktober 1999 tot wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie en van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften, strekkende tot vervanging van de mogelijkheid van beroep in cassatie door de mogelijkheid van hoger beroep, alsmede het aanbrengen van enige andere wijzigingen (vervanging in Mulder-zaken van beroep in cassatie door hoger beroep bij het gerechtshof Leeuwarden) houdt met betrekking tot de in het tweede lid van art. 14 WAHV opgenomen beroepsgrond onder meer het volgende in: "Indien inderdaad bij vergissing is aangenomen dat de zekerheid niet tijdig is gesteld of de kantonrechter de omstandigheden die het verzuim niet verwijtbaar maken niet of onvoldoende in zijn beschouwingen heeft betrokken, zou de betrokkene in een geval waarin de sanctie niet meer bedraagt dan ƒ 150 geconfronteerd worden met een niet-ontvankelijkverklaring waartegen geen enkel rechtsmiddel openstaat. Het beroep van de betrokkene is dan inhoudelijk niet beoordeeld door een rechter en in die zin is betrokkene dan ten onrechte het recht op toegang tot de rechter onthouden. (.....) Hoewel de ervaring heeft geleerd dat het om een beperkt aantal gevallen gaat, moet daarvoor gelet op het in artikel 6 EVRM besloten liggende recht op toegang tot de rechter een voorziening worden getroffen." (Kamerstukken II, 1997-1998, 25 927, nr. 3 par.2.3).

3.8. Wanneer de kantonrechter bij vergissing zou hebben aangenomen dat de betrokkene in verzuim is geweest, kan zich eveneens de situatie voordoen dat het beroep van de betrokkene ten onrechte niet inhoudelijk door een rechter is beoordeeld. Het hof is van oordeel, hoewel de WAHV in dit geval niet voorziet in hoger beroep, dat het in art. 6 EVRM besloten liggende recht op toegang tot de rechter met zich meebrengt dat betrokkene, die erover klaagt dat hij door de kantonrechter ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard wegens termijnoverschrijding, in hoger beroep dient te worden ontvangen.

3.9. Bij brief d.d. 23 december 2000 diende de gemachtigde namens de betrokkene een aan de kantonrechter gericht beroepschrift in bij de officier van justitie - kort gezegd - inhoudende dat de officier van justitie ten onrechte niet tijdig op eerstgenoemd beroepschrift had beslist. De officier van justitie nam alsnog een beslissing op het beroep, voordat de kantonrechter had beslist op het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit, en kwam daarbij niet aan het bezwaar van de betrokkene tegemoet. Ingevolge het bepaalde in artikel 6:20, vierde lid Awb wordt het beroep tegen het niet tijdig beslissen mede geacht te zijn gericht tegen de beslissing, verzonden op 8 februari 2001. Er kan derhalve geen sprake zijn van het niet tijdig in beroep komen van laatstgenoemde beslissing. Voor zover door de betrokkene tegen die beslissing een beroepschrift is ingediend, moet dit gezien worden als aanvulling van de gronden van het beroep tegen het niet tijdig beslissen. De brief van 22 maart 2001 heeft derhalve als beroepschrift geen zelfstandige betekenis. Derhalve heeft de kantonrechter de betrokkene ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep gericht tegen de beslissing van de officier van justitie van 8 februari 2001.

3.10. In beginsel zou het hof, overeenkomstig het bepaalde in artikel 20d, tweede lid WAHV, de zaak moeten terugwijzen naar de rechtbank.

3.11. Inmiddels zijn echter ruim 23 maanden verstreken sinds de inleidende beschikking is verzonden. Deze periode is veroorzaakt door lange perioden van inactiviteit en inadequate activiteit, waarvoor geen rechtvaardiging kan worden gevonden. Mede gelet op de tijd die met de behandeling van de zaak na terugwijzing zal zijn gemoeid, valt redelijkerwijs niet te verwachten dat de zaak zal kunnen worden berecht binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM. Daarom zal het hof de zaak niet terugwijzen, maar zelf afdoen.

3.12. Met vernietiging van de bestreden beslissing, behoudens voor zover daarbij de Staat der Nederlanden is veroordeeld tot het vergoeden van de kosten van de procedure, begroot op ƒ 355,--, zal het hof als na te melden opnieuw rechtdoen.

3.13. In hoger beroep verzoekt de betrokkene vergoeding van proceskosten. Het hof zal aan de betrokkene voor de in hoger beroep verrichte proceshandelingen overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht een vergoeding toekennen, en wel als volgt: beroepschrift hof = 1 punt, nadere toelichting op het beroep = 1/2 punt, waarde per punt = € Euro 322,--, gewicht van de zaak = 0,5 (licht), = € Euro 241,50.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de beslissing van de kantonrechter, behoudens voor zover daarbij de Staat der Nederlanden is veroordeeld tot het vergoeden van de kosten van de procedure, begroot op ƒ 355,--,

vernietigt de beslissing van de officier van justitie d.d. 8 februari 2001, alsmede de beschikking waarbij onder CJIB-nr 34658793 de administratieve sanctie is opgelegd;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van Euro 241,50.

Dit arrest is gewezen door mrs. Vellinga, Kalsbeek en Van Dijk, in tegenwoordigheid van mr. Hiemstra, als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.