Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AE6108

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
19-06-2002
Datum publicatie
05-08-2002
Zaaknummer
WAHV 02-00166
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 9, geldigheid: 2002-06-19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2003, 279
VR 2002, 204

Uitspraak

WAHV 02/00166

19 juni 2002

CJIB 69041154768

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter in de rechtbank te Maastricht

van 22 januari 2002

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Maastricht ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van fl 220,-- opgelegd ter zake van "overschrijding van de maximumsnelheid binnen de beb. kom bij wegwerkzaamheden (verkeersbord A1); > 15 en t/m 20 km/h", welke gedraging zou zijn verricht op 14 maart 2001 te 15.05 uur op de Ambyerstraat-Zuid te Maastricht.

3.2. De betrokkene ontkent zich te hebben gedragen in strijd met de ter plaatse geldende verkeersvoorschriften. Daartoe voert hij aan dat er geen sprake was van werkzaamheden aan de weg, doch aan het trottoir, zodat ten onrechte borden ter zake van wegwerkzaamheden waren geplaatst. In dit verband wijst hij er op, dat op de foto van de gedraging niet zichtbaar is, dat ter plaatse een snelheids-beperking gold.

3.3. Het zich in het dossier bevindend ambtsedige aanvullende proces-verbaal van de verbalisant houdt in als diens relaas, voor zover hier van belang: Op 14 maart 2001 werd tussen 14.00 uur en 16.00 uur een snelheidscontrole gehouden op de Ambyerstraat Zuid te Maastricht. Ter plaatse waren, komende uit de richting van de Severenstraat, aan de linkerzijde van de weg wegwerkzaamheden. Hiertoe waren aan beide zijden van de Ambyerstraat Zuid, komende vanaf de Terblijterweg en vanaf de Severenstraat borden geplaatst. Het betroffen borden die aangaven dat er wegwerkzaamheden waren (bord J16 van bijlage I van het RVV 1990) en een maximumsnelheid van 30 km/h gold (bord A1 van diezelfde bijlage).

3.4. Op grond van het vorenoverwogene is naar de overtuiging van het hof komen vast te staan dat ten tijde en ter plaatse als hier van belang borden aanwezig waren van het model A1 van bijlage I van het RVV1990, die verboden sneller te rijden dan 30 km/h. De omstandigheid dat deze borden op de door de betrokkene genoemde foto niet zichtbaar zijn doet daar niet aan af, omdat deze foto slechts een afbeelding bevat van een klein gedeelte van de situatie ter plaatse.

3.5. Zoals de betrokkene stelt en bevestiging vindt in de door betrokkene bedoelde foto werden ter plaatse werkzaamheden aan het trottoir verricht. Een trottoir moet ingevolge art. 1 lid 1 sub b WVW 1994 onder "weg" worden begrepen. Derhalve werden anders dan de betrokkene wil ter plaatse wel wegwerkzaamheden verricht en zijn de borden niet ten onrechte geplaatst.

3.6. De betrokkene bestrijdt niet ter plaatse en ten tijde als hier van belang met de geconstateerde/gecorrigeerde snelheid van 46 km/h te hebben gereden. Daarom staat naar de overtuiging van het hof vast dat de gedraging is begaan.

3.7. Voor het geval de onderhavige borden - zoals de betrokkene stelt - wel ten onrechte zouden zijn geplaatst geldt het volgende. Art. 62 RVV 1990 houdt in dat weggebruikers verplicht zijn gevolg te geven aan verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden, zonder dat onderscheid wordt gemaakt of de verkeerstekens al dan niet met inachtneming van de daarvoor geldende wettelijke voorschriften zijn geplaatst, dat wil zeggen - voorzover ten deze van belang - of het verkeersbord betrekking heeft op een situatie die beantwoordt aan hetgeen daaromtrent is voorgeschreven. Het staat dan ook niet ter beoordeling van de weggebruiker of een verkeersbord overeenkomstig de voorschriften en terecht is geplaatst. Ook op grond van eisen van verkeersveiligheid kan een dergelijke beoordeling niet worden overgelaten aan de weggebruiker, doch is het veeleer geboden dat deze, ook al mocht hij persoonlijk van oordeel zijn dat het bord ten onrechte is geplaatst, gevolg geeft aan dat verkeersteken, reeds omdat valt aan te nemen dat andere weggebruikers veelal daarop zullen rekenen. Een uitzondering zou gelden in het geval dat de situatie klaarblijkelijk zo afwijkend is van die waarop het verkeersbord betrekking heeft dat bij het gevolg geven aan dat teken de veiligheid op de weg in gevaar zou worden gebracht. Gelet op de inhoud van het in r.o. 3.3 genoemde proces-verbaal doet een dergelijke uitzondering zich in het onderhavige geval niet voor.

3.8. De betrokkene beroept zich er voorts op dat het opleggen van de onderhavige sanctie betekent dat is gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel, nu niet de gehele dag, zolang de werkzaamheden duurden, op overschrijding van de maximumsnelheid is gecontroleerd.

3.9. Van schending van het gelijkheidsbeginsel ten aanzien van de betrokkene zou sprake zijn indien zonder (juridisch) geldige reden ten nadele van de betrokkene zou zijn afgeweken van het met betrekking tot gedragingen als de onderhavige geldende beleid (HR 11-4-2000, 474-99-V). Het staat de overheid vrij van tijd tot tijd en op door haar te bepalen tijdstippen na te gaan of weggebruikers zich houden aan geldende verkeersvoorschriften. In dit licht gezien leidt de door de betrokkene genoemde omstandigheid niet tot het oordeel dat in het onderhavige geval het gelijkheidsbeginsel is geschonden. Derhalve brengt die omstandigheid niet mee, dat de gedraging heeft plaatsgevonden onder omstandigheden, die het opleggen van een administratieve sanctie niet billijken.

3.10. Nu de betrokkene zijn stelling dat hij financieel niet in staat is de sanctie te betalen niet nader heeft onderbouwd hoewel hij daarop in het verweerschrift uitdrukkelijk is geattendeerd - de betrokkene heeft immers slechts aangevoerd dat hij een minimuminkomen en hoge lasten heeft zonder een en ander te concretiseren - ziet het hof evenmin aanleiding de sanctie te matigen.

3.11. De beslissing van de kantonrechter zal worden bevestigd.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mrs. Vellinga, Huisman en Van Dijk in tegenwoordigheid van mr. Hiemstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.