Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AE6104

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
19-06-2002
Datum publicatie
05-08-2002
Zaaknummer
WAHV 01-00618
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:10, geldigheid: 2002-06-19
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 14, geldigheid: 2002-06-19
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 20d, geldigheid: 2002-06-19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2003, 2

Uitspraak

WAHV 01/00618

19 juni 2002

CJIB 36209041

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter te Eindhoven

van 13 november 2001

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement 's-Hertogenbosch niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal heeft een reactie gegeven op de nadere toelichting op het beroep.

3. Beoordeling

3.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 14 (oud) WAHV kan tegen de beslissing van het kantongerecht hoger beroep bij het gerechtshof te Leeuwarden worden ingesteld, indien de opgelegde sanctie bij die beslissing meer bedraagt dan ƒ 150,- of indien de betrokkene niet-ontvankelijk is verklaard wegens het niet of niet tijdig stellen van zekerheid als bedoeld in art. 11, derde lid, WAHV. In het onderhavige geval is betrokkene niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep bij de kantonrechter omdat het niet tijdig zou zijn ingesteld, terwijl de hoogte van de sanctie ƒ 60,- bedraagt. De WAHV biedt in een zodanig geval niet de mogelijkheid hoger beroep bij het gerechtshof in te stellen.

3.2. De betrokkene klaagt erover, zakelijk weergegeven, dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld, dat hij te laat beroep heeft ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie.

3.3. De Memorie van Toelichting (Kamerstukken II, 1997-1998, 25 927, nr. 3, par. 2.3) houdt met betrekking tot de in het tweede lid van art. 14 WAHV opgenomen beroepsgrond onder meer het volgende in: "Indien inderdaad bij vergissing is aangenomen dat de zekerheid niet tijdig is gesteld of de kantonrechter de omstandigheden die het verzuim niet verwijtbaar maken niet of onvoldoende in zijn beschouwingen heeft betrokken, zou de betrokkene in een geval waarin de sanctie niet meer bedraagt dan ƒ 150,- geconfronteerd worden met een niet-ontvankelijkverklaring waartegen geen enkel rechtsmiddel openstaat. Het beroep van de betrokkene is dan inhoudelijk niet beoordeeld door een rechter en in die zin is betrokkene dan ten onrechte het recht op toegang tot de rechter onthouden. (.....) Hoewel de ervaring heeft geleerd dat het om een beperkt aantal gevallen gaat, moet daarvoor gelet op het in artikel 6 EVRM besloten liggende recht op toegang tot de rechter een voorziening worden getroffen."

3.4. Wanneer de kantonrechter bij vergissing zou hebben aangenomen dat het beroep niet tijdig is ingesteld of de omstandigheden die het verzuim niet verwijtbaar maken niet of onvoldoende in zijn beschouwingen heeft betrokken kan zich eveneens de situatie voordoen dat het beroep van de betrokkene ten onrechte niet inhoudelijk door een rechter is beoordeeld. Het hof is van oordeel, hoewel de WAHV in dit geval niet voorziet in hoger beroep, dat het in art. 6 EVRM besloten liggende recht op toegang tot de rechter met zich meebrengt dat de betrokkene, die erover klaagt dat hij door de kantonrechter ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard in zijn beroep wegens termijnoverschrijding, in hoger beroep dient te worden ontvangen.

3.5. De betrokkene voert aan dat hij in het beroepschrift tegen de inleidende beschikking van 23 oktober 2000 bij de officier van justitie reeds (tevens) beroep had ingesteld op de kantonrechter.

3.6. Art. 6:10, eerste lid, Awb, voor zover hier van belang, luidt:

1. Ten aanzien van een voor het begin van de termijn ingediend (...) beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien het besluit ten tijde van de indiening:

a. wel reeds tot stand was gekomen, of

b. nog niet tot stand was gekomen, maar de indiener redelijkerwijs kon menen dat dit wel reeds het geval was.

3.7. De beslissing van de officier van justitie is aan de betrokkene verzonden op 12 januari 2001. Gelet daarop vangt de termijn voor het indienen van een beroepschrift aan op 13 januari 2001. Betrokkenes stelling dat hij reeds bij brief van 23 oktober 2000 beroep had ingesteld bij de kantonrechter, is onjuist omdat op 23 oktober 2000 de beslissing van de officier van justitie nog niet tot stand was gekomen en de betrokkene op die datum niet redelijkerwijs kon menen dat dit wel reeds het geval was. De gedingstukken geven geen enkel aanknopingspunt voor een ander standpunt; veeleer bevatten de gedingstukken een aanknopingspunt voor het standpunt dat de officier van justitie nog geen beslissing had genomen, nu immers blijkt dat na 23 oktober 2000 nog nader onderzoek is verricht. Genoemde brief van 23 oktober 2000 is derhalve geen voortijdig ingediend beroepschrift als bedoeld in art. 6: 10 Awb.

3.8. Voorts voert de betrokkene aan dat hij op 20 januari 2001 beroep heeft ingesteld. Ter ondersteuning van die stelling heeft de betrokkene als bijlage 4 bij het beroepschrift een brief, gedateerd 20 januari 2001, overgelegd.

3.9. Ingevolge het in art. 9, eerste lid, WAHV in verbinding met de art. 6:7 en 6:8 Awb bepaalde dient het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen een termijn van zes weken, welke termijn aanvangt op de dag na die waarop een afschrift van de bestreden beslissing aan de betrokkene is toegezonden. Voorts bepaalt art. 6:9 Awb dat het beroepschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen, alsmede dat bij verzending per post het beroepschrift tijdig is ingediend, indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

3.10. De bestreden beslissing is blijkens de daarop geplaatste mededeling op 12 januari 2001 aan de betrokkene toegezonden. Het beroepschrift, gedateerd 20 januari 2001, is blijkens het daarop geplaatste stempel op 3 april 2001 door de officier van justitie te 's-Hertogenbosch ontvangen, terwijl de envelop waarin het beroepschrift is verzonden blijkens het daarop geplaatste poststempel op 2 april is afgestempeld. In dit licht kan niet als juist worden aanvaard het standpunt van de betrokkene dat hij bij andersluidende brief eveneens gedateerd 20 januari 2001, welke hij als bijlage bij het beroepschrift heeft overgelegd en waarvan niet blijkt dat hij deze aan de officier van justitie heeft gezonden, tijdig beroep heeft ingesteld. Het beroep is derhalve niet binnen de wettelijke termijn ingesteld. Dit brengt met zich mee dat het beroep van de betrokkene op doorbreking van het appelverbod dient te worden verworpen.

3.11. De betrokkene voert nog aan dat de officier van justitie door het zenden van de brief d.d. 6 april 2001 de beroepstermijn heeft laten vervallen. In deze brief schrijft de officier van justitie dat hij het bij het kantongerecht ingestelde beroep nogmaals zal bekijken en eventueel tot vernietiging zal besluiten. De stelling dat de officier van justitie door het verzenden van deze brief de beroepstermijn zou hebben laten vervallen, berust op een onjuiste lezing van genoemde brief en is derhalve onjuist.

3.12. Ten gevolge van de beslissing van de kantonrechter is de beslissing van de officier van justitie onherroepelijk geworden op 24 februari 2001. Ingevolge art. 23, eerste lid, WAHV moet uiterlijk binnen twee weken na deze datum de administratieve sanctie zijn voldaan. Art. 23, tweede lid, WAHV bepaalt dat de sanctie van rechtswege wordt verhoogd met vijfentwintig procent indien deze niet tijdig geheel wordt voldaan. De betrokkene heeft de sanctie niet tijdig geheel voldaan om welke reden, blijkens het zaakoverzicht van het CJIB, op 24 maart 2001 een verhoging heeft plaatsgevonden. De betrokkene heeft blijkens de mutatie op het zaakoverzicht van 17 april 2001 de verhoogde sanctie (f 75,-) voldaan op 10 april 2001. Uit de mutatie op het zaakoverzicht van het CJIB blijkt echter bovendien dat door de betrokkene op 11 april 2001 aan het CJIB een bedrag van f 60,- is betaald. Beide bedragen zijn geboekt op het CJIB-nummer 36209041. Nu de betrokkene reeds het door hem verschuldigde bedrag op 10 april 2001 aan het CJIB had betaald, dient f 60,- aan de betrokkene te worden gerestitueerd.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. Vellinga, Huisman en Van Dijk, in tegenwoordigheid van mr. Muntinga als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.