Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AE6098

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
03-07-2002
Datum publicatie
02-08-2002
Zaaknummer
WAHV 02-00279
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 5, geldigheid: 2002-07-03
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 9, geldigheid: 2002-07-03
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

WAHV 02/00279

3 juli 2002

CJIB 89042439190

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter in de rechtbank te Rotterdam

van 22 februari 2002

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats].

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

WAHV 02/00279

3 juli 2002

CJIB 89042439190

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter in de rechtbank te Rotterdam

van 22 februari 2002

betreffende

R. van Golen (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te Westmaas.

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van ƒ 310,- opgelegd ter zake van "als weggebruiker buiten noodzaak over de vluchtstrook of vluchthaven rijden", welke gedraging zou zijn verricht op 29 mei 2001 op de Rijksweg A4 Z-N (OB) te Rotterdam.

3.2. De betrokkene ontkent niet met het voertuig waarvan het kenteken op zijn naam is gesteld over de vluchtstrook te hebben gereden. Hij stelt zich echter op het standpunt dat dit niet "buiten noodzaak" geschiedde dan wel dat de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden het opleggen van een administratieve sanctie niet billijken of dat een lager bedrag van de administratieve sanctie dient te worden vastgesteld.

3.3. De kern van hetgeen de betrokkene ter onderbouwing van zijn stelling aanvoert houdt in dat de betrokkene tijdens de ochtendspits reed in de richting van de Beneluxtunnel, dat voor de door betrokkene - inmiddels op de rechterrijbaan - bestuurde motorfiets een andere motorfiets alsmede een bestelauto met aanhangwagen reden, de laatste met zeer geringe snelheid, dat de betrokkene zijn motor, gelet op de vlak achter hem rijdende personenauto, niet veilig abrupt tot stilstand kon brengen zonder het risico te lopen door die auto van achteren te worden aangereden en dat alles afwegende de betrokkene door naar de vluchtstrook uit te wijken een gevaarlijke situatie heeft weten te voorkomen.

3.4. Behoudens in noodgevallen is het de weggebruikers verboden op een autosnelweg of autoweg gebruik te maken van de vluchtstrook, de vluchthaven of de berm (art. 43, derde lid, RVV 1990).

3.5. Blijkens het op ambtsbelofte opgemaakte aanvullend proces-verbaal d.d. 28 september 2001 van de verbalisant was het ten tijde van de gedraging spitstijd. De omstandigheden dat er sprake was van een langzaam rijdende bestelauto met aanhangwagen vóór de betrokkene, alsmede van zich op korte afstand achter de betrokkene bevindend verkeer, zijn op zichzelf gezien niet afwijkend van het verkeerspatroon dat nabij een tunnel in de ochtendspits te verwachten is.

In het bijzonder is van belang, dat - gelet op de nadere toelichting van de betrokkene op zijn beroep dat langs de weg een bord is geplaatst met de vermelding "ritsen na driehonderd meter" (naar het hof aanneemt het bord "einde rijstrook" met genoemde vermelding) en het daaropvolgende bord 300 meter voor het verdrijvingsvlak - van hem mocht worden verwacht, dat hij tijdig zijn snelheid aan zou passen aan het verkeer op de rechterrijstrook teneinde met gelijke snelheid in te voegen. Nu de betrokkene daaraan kennelijk niet heeft voldaan komt hem niet een beroep toe op de uitzondering, die artikel 43 lid 3 RVV 1990 kent op het verbod om gebruik te maken van de vluchtstrook.

3.6. Voor zover de betrokkene nog wil aanvoeren dat hij door het rijden over de vluchtstrook gevolg wilde geven aan het "opzwaaien" van het verkeer door de verbalisant faalt zijn verweer, nu onder een dergelijk gebaar, bedoeld om de doorstroming van het verkeer te bevorderen, in een situatie als de onderhavige niet kan worden begrepen een verzoek om in strijd met de verkeersregels een langzamere verkeersdeelnemer (die immers door het gebaar wordt gemaand zijn snelheid te vermeerderen om aan te sluiten bij het voorgaande voertuig) in te halen.

3.7. De betrokkene voert voorts aan, dat er op kenteken is bekeurd en dat hem aldus de mogelijkheid is ontnomen ter plaatse mondeling te reageren. De betrokkene wil hiermee kennelijk betogen dat er ten onrechte geen staandehouding heeft plaatsgevonden.

3.8. Art. 5 WAHV bepaalt - voor zover hier van belang - dat indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is, de administratieve sanctie wordt opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven. Deze bepaling moet aldus worden verstaan dat ingeval zich een reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder van het motorrijtuig, waarmee de geconstateerde gedraging is verricht, voordoet, die bepaling buiten toepassing dient te blijven en de sanctie aan die bestuurder dient te worden opgelegd (HR 1 februari 2000, VR 2000/104).

3.9. Gelet op de verkeerssituatie ten tijde en ter plaatse van de gedraging , te weten de ochtendspits nabij een tunnel, moet ervan uitgegaan worden dat staandehouding van de betrokkene niet verantwoord was. Van handelen in strijd met art. 5 WAHV is derhalve geen sprake.

3.10. Op grond van het vorenstaande oordeelt het hof dat de betrokkene de gedraging heeft verricht en dat er geen sprake is van omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden die het opleggen van een administratieve sanctie niet billijken, dan wel dat een lager bedrag van de administratieve sanctie dient te worden vastgesteld. Derhalve zal het hof de beslissing waarvan beroep bevestigen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Huisman en Van Dijk, in tegenwoordigheid van mr. Hiemstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Huisman en Van Dijk, in tegenwoordigheid van mr. Hiemstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.