Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AE6097

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
03-07-2002
Datum publicatie
02-08-2002
Zaaknummer
WAHV 02-00134
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 02/00134

3 juli 2002

CJIB 32935643

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter te Eindhoven

van 11 december 2001

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats].

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement 's-Hertogenbosch ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Gelet op de inhoud van de gedingstukken moet in deze zaak van de volgende feiten worden uitgegaan.

3.2. In verband met een op 29 maart 2000 gepleegde verkeersovertreding is aan de betrokkene een administratieve sanctie opgelegd van f 180,-. Op 15 april 2000 heeft het CJIB de inleidende beschikking gezonden naar het adres 1, dit is het adres van de betrokkene waarop hij volgens de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) tot 29 mei 2000 woonachtig was. Deze beschikking is als onbestelbaar retour gezonden aan het CJIB. Vervolgens heeft een electronische adresverificatie in de GBA plaatsgevonden, waarna op 9 mei 2000 opnieuw aan de betrokkene op het adres 1 een beschikking is gezonden. Ook deze beschikking is als onbestelbaar retour gezonden aan het CJIB. Blijkens een uittreksel uit de GBA is de betrokkene vanaf 29 mei 2000 woonachtig op het adres 2. Op 26 juli 2000 heeft het CJIB aan de betrokkene op dit adres een eerste aanmaning gezonden. Bij brief van 25 augustus 2000 heeft de betrokkene beroep ingesteld bij de officier van justitie. In deze brief heeft de betrokkene onder meer vermeld dat hij sedert 1 december 1999 niet meer woonachtig is op het adres 1. Op 13 september 2000 heeft de officier van justitie het beroep wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. Bij brief van 18 september 2000 heeft de betrokkene beroep ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie. Bij brief van 27 december 2000 heeft het CJIB het volgende aan het arrondissementsparket medegedeeld: "Op 7 september 2000 is betrokkene een brief toegestuurd, waarin stond vermeld dat de hem opgelegde verhoging ongedaan is gemaakt, en hem binnenkort een nieuwe beschikking zou worden gezonden. Na controle is gebleken dat dit niet is gebeurd, maar dat deze zaak in behandeling is genomen bij het Arrondissementsparket als zijnde een beroepschrift". Bij de bestreden beslissing is het beroep ongegrond verklaard.

3.3. De betrokkene voert onder meer aan, dat zijn nieuwe adresgegevens bij de politie in het computersysteem bekend moeten zijn, nu de RDW de aanslagen wegenbelasting naar het juiste adres heeft gezonden. Voorts zou de politie de adresverwerking niet op orde hebben, omdat na een aangifte van diefstal een afmelding bij de RDW niet is uitgevoerd.

3.4. Art. 4, tweede lid, WAHV luidt, voor zover hier van belang, als volgt: De bekendmaking van de beschikking geschiedt binnen vier maanden nadat de gedraging heeft plaatsgevonden, door toezending van de beschikking aan het adres dat betrokkene heeft opgegeven of, indien dat niet mogelijk is en de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, aan het adres dat is opgenomen in het kentekenregister. Indien de brief onbestelbaar blijkt te zijn, wordt de beschikking gezonden naar het in de basisadministratie persoonsgegevens vermelde adres, tenzij dit hetzelfde is als hetgeen is opgenomen in het kentekenregister. Indien de brief ook op het in de basisadministratie persoonsgegevens vermelde adres onbestelbaar blijkt te zijn, wordt de beschikking geacht aan de betrokkene bekend te zijn.

3.5. In casu is de betrokkene op kenteken bekeurd. Gelet op hetgeen in r.o. 3.2. is overwogen, heeft het CJIB gehandeld overeenkomstig het bepaalde in art. 4, tweede lid, WAHV. Het CJIB heeft immers de beschikking eerst gestuurd naar het in het kentekenregister opgenomen adres van de betrokkene. Nadat deze als onbestelbaar retour is gezonden, heeft adresverificatie in de GBA plaatsgevonden. Vervolgens is de beschikking, hoewel dat strikt genomen niet had gehoeven, op 9 mei 2002 opnieuw naar het adres 1 gezonden. Nu de betrokkene eerst met ingang van 29 mei 2002 op het adres 2 ingeschreven stond, dient de omstandigheid dat de beschikking de betrokkene niet heeft bereikt, omdat het CJIB de inleidende beschikking tweemaal naar zijn oude in plaats van zijn nieuwe adres heeft verzonden, voor zijn rekening te komen. Gelet op het vorenoverwogene moet de beschikking van 9 mei 2000 op de voet van art. 4, tweede lid, WAHV geacht worden aan de betrokkene bekend te zijn.

3.6. Nu de betrokkene eerst bij brief van 25 augustus 2000 beroep heeft ingesteld, derhalve ruimschoots na afloop van de termijn om beroep in te stellen tegen de beschikking van 9 mei 2000, heeft de officier van justitie de betrokkene terecht niet-ontvankelijk verklaard in het beroep. Hetgeen in r.o. 3.3. is overwogen, doet aan het voorgaande niet af.

3.7. De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat de beslissing van de kantonrechter dient te worden vernietigd. Daartoe wordt het volgende aangevoerd. De brief van het CJIB van 27 december 2000 houdt in dat aan de betrokkene bij brief van 7 september 2000 de toezegging is gedaan dat de hem opgelegde verhoging - naar het hof begrijpt de eerste aanmaning van 26 juli 2000 - ongedaan zou worden gemaakt en dat aan de betrokkene een nieuwe beschikking zou worden toegezonden. Dit is echter niet gebeurd. Door het toezenden van een nieuwe inleidende beschikking zou de termijn voor het instellen van beroep opnieuw zijn gaan lopen en zou het door de betrokkene bij de officier van justitie ingestelde beroep derhalve tijdig zijn gedaan, aldus de advocaat-generaal.

3.8. Naar het oordeel van het hof miskent de advocaat-generaal echter dat de betrokkene door eigen toedoen geen gebruik heeft kunnen maken van de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen de hem op 15 april 2002 respectievelijk 9 mei 2002 toegezonden inleidende beschikking. De betrokkene heeft immers niet tijdig een adreswijziging doorgegeven aan de gemeente, waardoor voormelde beschikkingen hem niet hebben bereikt. Nu de betrokkene geacht moet worden door eigen toedoen een rechtsmiddel onbenut te hebben gelaten, kan door het hem opnieuw toezenden van de inleidende beschikking dit rechtsmiddel niet herleven.

3.9. Gelet op het vorenoverwogene zal het hof de bestreden beslissing bevestigen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mrs. Kalsbeek, Huisman en Van Dijk, in tegenwoordigheid van mr. Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.