Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AE6025

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
26-07-2002
Datum publicatie
31-07-2002
Zaaknummer
BK 338/01
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2002, 1173
V-N 2002/38.2.5
V-N 2002/51.2.6

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 338/01 26 juli 2002

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid ondernemingen van de belastingdienst te Heerenveen (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1998.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Belanghebbende werd voor het jaar 1998 in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen aangeslagen naar een belastbaar inkomen als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964, gelijk deze wet voor het onderhavige jaar gold, (hierna te noemen: de Wet) van ƒ 59.230,-.

1.2 Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 23 maart 2001 de aanslag gehandhaafd.

1.3 Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen), hetwelk op 3 mei 2001 is ingekomen. Bij brief ingekomen op 16 mei 2001 heeft belanghebbende dit beroepschrift aangevuld.

1.4 Nadat de inspecteur zijn verweerschrift (met bijlagen) had ingezonden, heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van het gerechtshof op 28 maart 2002, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren de belanghebbende en zijn gemachtigde, mr. A, zomede de inspecteur die werd bijgestaan door B.

1.5 Ter voormelde zitting heeft de inspecteur de door hem ter zitting voorgedragen pleitnota overgelegd.

1.6 Het hof heeft in deze zaak op 11 april 2002 in het openbaar mondeling uitspraak gedaan, waarvan het proces-verbaal bij aangetekend schrijven, ter post bezorgd op 25 april 2002, aan partijen is verzonden.

1.7 Bij schrijven ingekomen op 21 mei 2002 heeft belanghebbende op de wijze als bedoeld in artikel 27d van de Algemene wet rijksbelastingen verzocht vorenbedoelde uitspraak te vervangen door een schriftelijke.

1.8 De griffier heeft belanghebbende bij aangetekend schrijven, ter post bezorgd op 24 mei 2002, gewezen op het verschuldigde griffierecht en de belanghebbende heeft vervolgens op 25 juni 2002 dat griffierecht voldaan.

1.9 Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.1 Belanghebbende, geboren in 1965 en gehuwd, is per 1 januari 1997 in firmaverband met zijn echtgenote een onderneming gestart die zich bezighoudt met verlijmen en afwerken van gipswanden.

2.2 Naast het feitelijk drijven van de sub 2.1 vermelde onderneming heeft belanghebbende in 1998 als commanditair vennoot een participatie genomen in C CV (: de CV), in het verband van welke CV een zeeschip wordt geëxploiteerd. Belanghebbendes kapitaaldeelname bedraagt ƒ 40.000,-, terwijl zijn aandeel in het door de CV te exploiteren zeeschip 1,52% bedraagt. Zijn investeringsgrondslag beloopt op grond daarvan een bedrag van ƒ 160.000,-, en de daarmee corresponderende investeringsaftrek 19% ofwel ƒ 30.400,-. De restwaarde van het zeeschip bedraagt 10%, zodat de afschrijvingsgrondslag voor belanghebbende kan worden vastgesteld op ƒ 144.000,-. De uit goedkoopmansgebruik voortvloeiende fiscale afschrijving bedraagt ƒ 14.160,- op jaarbasis. Het kapitaal in de CV per 31 december 1998 bedraagt ƒ 37.900,-.

2.3 De door belanghebbende verlangde willekeurige afschrijving ex artikel 10, derde lid, van de Wet is door de inspecteur geweigerd met een beroep op tekst en strekking van artikel 2 van de Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving (:de UR) juncto artikel 44m, derde lid, van de Wet.

2.4 Tussen partijen staat als niet weersproken vast dat ten aanzien van de deelname als commanditair vennoot in de CV door belanghebbende niet tenminste 1225 uren zijn besteed aan het feitelijk drijven van die scheepvaartonderneming.

3. Het geschil en de standpunten van partijen

3.1 Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of willekeurige afschrijving mogelijk is op de participatie van belanghebbende in de CV, welke vraag door belanghebbende bevestigend doch door de inspecteur ontkennend wordt beantwoord.

3.2 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Ter zitting hebben zij daaraan geen argumenten toegevoegd.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1 Naar luid van artikel 10, derde lid, van de Wet kan op aanschaffingskosten van bedrijfsmiddelen willekeurig worden afgeschreven zodra terzake verplichtingen zijn aangegaan. Het betreft echter uitsluitend bedrijfsmiddelen of groepen van bedrijfsmiddelen die bij ministeriële regeling zijn aangewezen.

4.2 Die aanwijzing heeft plaatsgevonden bij de totstandkoming van de UR, en wel in artikel 2, eerste lid, daarvan.

4.3 Van belang daarbij is dat het belastingplichtigen moet betreffen ten aanzien van wie de verhoogde zelfstandigenaftrek van artikel 44m, derde lid, van de Wet van toepassing is.

4.4 Die verhoogde zelfstandigenaftrek is blijkens artikel 44m, derde lid, van de Wet slechts van toepassing ten aanzien van de belastingplichtige die minimaal 1225 uren aan het feitelijk drijven van de onderneming besteedt. Nergens staat de faciliteit omschreven als toekomend aan de ondernemer die aan zijn ondernemingen bijeengenomen tenminste 1225 uren besteedt, en die vervolgens over de totale winst van al die ondernemingen de verhoogde zelfstandigenaftrek geniet.

4.5 Nu vaststaat dat belanghebbende als commanditair vennoot aan het drijven van ¨zijn¨ scheepvaartonderneming niet tenminste 1225 uren heeft besteed, heeft hij met betrekking tot die scheepvaartonderneming geen recht op de verhoogde zelfstandigenaftrek, zodat hij terzake ook niet voor willekeurige afschrijving in aanmerking komt.

4.6 Het andersluidende standpunt van belanghebbende moet worden verworpen.

4.7 Zulks vindt bevestiging in de parlementaire geschiedenis die tot invoering van de willekeurige afschrijving heeft geleid: de Staatssecretaris oordeelde het niet nodig expliciet de commanditaire vennoot van het recht op willekeurige afschrijving uit te sluiten, nu door het naar zijn aard niet voldoen van een commanditaire vennoot aan het urencriterium geen recht op zelfstandigenaftrek bestaat, en derhalve ook geen aanspraak kan worden gemaakt op de toeslag op die aftrek zoals die voor startende ondernemers is bedoeld.

4.8 Ook uit de omstandigheid dat de verhoogde zelfstandigenaftrek als ¨startersaftrek¨ door het leven gaat, valt af te leiden dat de wetgever niet heeft bedoeld een commanditair vennoot/belegger in een zeeschip fiscaal met die aftrek te faciliëren, maar een starter in de markt bij de op- en uitbouw van de gestarte onderneming een liquiditeits- en rendementsvoordeel heeft willen bieden.

4.9 Opmerking verdient voorts dat in 1999 in artikel 20 UR expliciet de commanditaire vennoot die in films belegt deswege voor willekeurige afschrijving in aanmerking is gebracht. Als de wetgever van oordeel zou zijn geweest dat ook belegging in zeeschepen een zelfde fiscale behandeling zou verdienen, zou het, gelet op het oorspronkelijke standpunt (sub 4.7 hiervoor) voor de hand hebben gelegen dat in die situatie gevallen als de thans berechte met zoveel woorden ook in artikel 20 UR een plaats zouden hebben gevonden. Dat is niet het geval.

4.10 Het beroep is in al zijn onderdelen ongegrond.

5. De proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het hof verklaart het beroep ongegrond.

Gedaan op 26 juli 2002 door mr. H.S. Pruiksma, vice-president als voorzitter, mr. H.H.A. Fransen, raadsheer, en mr. J.A. Wolt, raadsheer-plaatsvervanger, in tegenwoordigheid van de griffier mevr. mr. M. Hiemstra en op die dag in het openbaar uitgesproken en ondertekend door voornoemde vice-president en door voornoemde griffier.

Op 31 juli 2002 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.