Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AE6024

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
26-07-2002
Datum publicatie
31-07-2002
Zaaknummer
BK 186/02
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2002-1595
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 186/02 26 juli 2002

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, tweede enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid ondernemingen van de belastingdienst te Heerenveen (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1999.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 De belanghebbende werd voor het jaar 1999 in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen aangeslagen naar een belastbaar inkomen als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964, gelijk deze wet voor het onderhavige jaar gold, (hierna te noemen: de Wet) van ƒ 77.141,--.

1.2 Op het tijdig ingediende bezwaar van de belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 20 december 2001 de aanslag gehandhaafd.

1.3 De belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen), hetwelk op 22 januari 2002 is ingekomen.

1.4 Het verweerschrift van de inspecteur is op 18 april 2002 ter griffie van het gerechtshof ingekomen.

1.5 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van het gerechtshof op 24 juni 2002, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren de belanghebbende en zijn gemachtigde, de heer A, alsmede de inspecteur.

1.6 Ter voormelde zitting heeft de inspecteur de door hem ter zitting voorgedragen pleitnota overgelegd.

1.7 Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.1 De belanghebbende, geboren op 5 juli 1946 en gehuwd, was in 1999 in volledige loondienst bij B te L. Daar werkte hij als onderhoudsmonteur 36 uur in de week in ploegendienst. Deze dienst bestond uit een ochtenddienst (van 06.00 uur tot 14.00 uur) en een middagdienst (van 14.00 uur tot 22.00 uur). In totaal werkte de belanghebbende in het onderhavige jaar 1656 uur voor voornoemde werkgever.

2.2 De belanghebbende was in 1999 lid van de vrijwillige brandweer, waarvoor hij een belaste vergoeding genoot van ƒ 2.277,--.

2.3 Naast de hiervoor beschreven werkzaamheden hield de belanghebbende zich - sedert een aantal jaren - bezig met de handel in tweedehands auto's. Via zijn eigen netwerk, dan wel via de krant kocht hij auto's aan. Deze auto's knapte hij in meer of mindere mate op en maakte hij vervolgens gereed voor de verkoop. In beginsel voerde de belanghebbende geen reparaties uit voor derden. De belanghebbende verkocht de auto's tot juli 1999 vanaf een bedrijfsterrein bij Garage C te L, alwaar hij de auto's ook stalde. Vanaf het tweede halfjaar van 1999 handelde de belanghebbende vanaf de locatie aan de a-leane 29 te Z. In 1999 heeft de belanghebbende 55 auto's ingekocht en heeft hij 44 auto's verkocht.

2.4 De inkomsten uit de hiervoor onder punt 2.3 bedoelde activiteiten zijn door de inspecteur aangemerkt als winst uit onderneming.

2.5 In de voorafgaande jaren heeft de inspecteur aan de belanghebbende zelfstandigenaftrek verleend.

2.6 Voor het jaar 1999 heeft de inspecteur de belanghebbende de zelfstandigenaftrek ad ƒ 11.815,-- onthouden.

3. Het geschil en de standpunten van partijen

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of de belanghebbende in het onderhavige jaar recht heeft op zelfstandigenaftrek.

3.2 De belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de inspecteur ontkennend.

3.3 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Ter zitting heeft de gemachtigde van de belanghebbende verklaard dat de belanghebbende vanaf 1 januari 2002 tot en met juni 2002 zijn werkzaamheden betreffende zijn ondernemingen heeft bijgehouden en dat hij daaraan in die periode reeds 886 uren heeft besteed. Overigens hebben partijen geen argumenten toegevoegd.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1 Ingevolge artikel 44m, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet wordt ten aanzien van de belastingplichtige die winst uit onderneming geniet en bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 18 jaar, doch nog niet die van 65 jaar heeft bereikt, een zelfstandigenaftrek toegepast indien gedurende het kalenderjaar de tijd die in totaal wordt besteed aan het voor eigen rekening feitelijk drijven van een onderneming en het verrichten van arbeid als bedoeld in artikel 22, grotendeels, doch voor ten minste 1.225 uren, in beslag wordt genomen door het drijven van die onderneming.

4.2 Op de belanghebbende rust - bij betwisting door de inspecteur - de last aannemelijk te maken dat zijn totale gedurende het jaar 1999 bestede tijd aan het drijven van zijn onderneming en aan het verrichten van arbeid voor B alsmede de vrijwillige brandweer grotendeels in beslag werd genomen door het drijven van zijn onderneming. De belanghebbende verwijst hiertoe naar een door hem achteraf opgemaakt urenoverzicht, waarin hij aangeeft dat hij 1960 uren aan zijn onderneming heeft besteed. Omdat zijn werkzaamheden betreffende de autohandel te uitvoerig waren, heeft de belanghebbende - naar hij heeft verklaard - slechts kunnen volstaan met een globaal overzicht. Tijdens een hoorgesprek met de inspecteur alsook ter zitting van het gerechtshof heeft de belanghebbende dit overzicht mondeling toegelicht. Onder meer heeft hij verklaard dat hij vanaf april 1999 langdurige inspanningen heeft verricht inzake de realisatie van een nieuwe loods en dat hij ook veel tijd heeft besteed aan de automatisering van het bedrijf. Daarnaast heeft de gemachtigde van de belanghebbende ter zitting verklaard dat de belanghebbende vanaf 1 januari 2002 tot en met juni 2002 zijn werkzaamheden betreffende zijn onderneming heeft bijgehouden en dat hij daaraan in die periode reeds 886 uren heeft besteed.

4.3 Naar het oordeel van het gerechtshof is de belanghebbende niet in zijn bewijslast geslaagd. Het door de belanghebbende verstrekte - achteraf opgemaakte - urenoverzicht acht het gerechtshof te globaal om daar enige waarde aan toe te kennen. Omdat de belanghebbende in zijn toelichting op dit overzicht eveneens slechts uitgaat van schattingen en veronderstellingen, gaat het gerechtshof ook aan deze toelichting - wat er overigens ook van zij - voorbij. Belanghebbendes verklaring dat hij in het eerste halfjaar van 2002 reeds 886 uren heeft besteed aan zijn onderneming is voor het onderhavige jaar niet relevant.

4.4 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat belanghebbendes beroep geen doel treft.

5. De proceskosten

Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Gedaan op 26 juli 2002 door mr. H.S. Pruiksma, vice-president, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. Hiemstra en op die dag in het openbaar uitgesproken en ondertekend door voornoemde vice-president en door voornoemde griffier.

Op 31 juli 2002 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.