Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AE5888

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
12-06-2002
Datum publicatie
30-07-2002
Zaaknummer
WAHV 02-00160
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 3, geldigheid: 2002-06-12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

WAHV 02/00160

12 juni 2002

CJIB 36546054

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter te Nijmegen

van 14 november 2001

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats].

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Arnhem gegrond verklaard en de beslissing van de officier van justitie vernietigd. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De officier van justitie heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van f 180,- opgelegd ter zake van "niet links inhalen", welke gedraging zou zijn verricht op 12 september 2000 op de Rijksweg A-73 te Ewijk.

3.2. De betrokkene ontkent de gedraging te hebben verricht. Tevens acht hij het ongepast dat de verbalisant een administratieve sanctie heeft opgelegd, terwijl hij "niet met de dienst belast was", zoals deze in een nader proces-verbaal d.d. 6 december 2000 heeft weergegeven. Voorts acht hij de plaats van de gedraging onvoldoende duidelijk, nu niet is aangegeven ter hoogte van welke hectometerpaal langs de A-73 de gedraging zou zijn verricht. Tenslotte beroept hij zich er op, dat als hij rechts zou hebben ingehaald, de verbalisant zich schuldig zou hebben gemaakt aan "onnodig links rijden".

3.3. Artikel 3, tweede lid van de WAHV bepaalt, dat de ambtenaren bedoeld in het eerste lid van dat artikel bevoegd zijn tot het opleggen van een administratieve sanctie. Het eerste lid bepaalt, dat met het toezicht op de naleving van de voorschriften waarop de WAHV betrekking heeft zijn belast de bij algemene maatregel van bestuur belaste ambtenaren. Artikel 2 van het Besluit administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 1994 wijst onder meer als zodanig aan - zakelijk weergeven - de ambtenaren van politie die een algemene opsporingsbevoegdheid bezitten op grond van het Wetboek van Strafvordering. Blijkens het zaakoverzicht en het proces-verbaal van 6 december 2000 is de verbalisant hoofdagent van politie en als zodanig opsporingsambtenaar met algemene opsporingsbevoegdheid. Er is geen regel die verhindert, dat een opsporingsambtenaar met algemene opsporingsbevoegdheid buiten diensturen de hem bij of krachtens de wet toegekende bevoegdheden uitoefent.

3.4. Dat de betrokkene aanvoert, dat de plaats van de gedraging niet voldoende duidelijk is aangegeven is onbegrijpelijk, nu hij in zijn beroepschrift bij de officier van justitie op 30 september 2000 zelf aangeeft "Op de omschreven plek kan men rechtdoor richting Druten of rechts richting Rotterdam/Arnhem. Ik ga op dat punt altijd rechtsaf richting de Ewijkse brug". Uit het reeds eerder genoemde proces-verbaal van 6 december 2000, opgemaakt naar aanleiding van een verzoek van de officier van justitie in reactie op het beroep van de betrokkene, volgt, dat de gedraging zou hebben plaatsgevonden enige honderden meters vóór de plaats waar de personenauto bij de afslag naar Rotterdam naar rechts stuurde en de afslag opreed. Een nadere opgave van de plaats van de gedraging door middel van het vermelden van de hectometerpaal-aanduiding, zoals door de betrokkene is gevraagd, is - mede gelet op de aard van de gedraging, die zich noodzakelijkerwijze over enige afstand op de weg voltrekt - in het onderhavige geval dan ook niet nodig.

3.5. Het inhoudelijke verweer van de betrokkene komt hierop neer, dat hij - wanneer hij aan de rechterzijde van de verbalisant sneller zou hebben gereden dan deze - dit heeft gedaan op de uitvoegstrook richting Rotterdam en derhalve niet rechts heeft ingehaald op het rechtdoorgaande gedeelte van de A-73.

3.6. Hetgeen de betrokkene aanvoert is in strijd met het relaas van de verbalisant, dat inhoudt dat de betrokkene niet slechts rechts naast de verbalisant heeft gereden , maar deze rechts is voorbijgereden, terwijl deze op de linkerweghelft (het hof leest: de linkerrijstrook) reed en daarna zijn auto vóór deze naar de linkerrijstrook stuurde, daar enige honderden meters heeft gereden en daarna rechtsaf de afslag richting Rotterdam is opgereden. Het is dus niet juist, zoals de kantonrechter in de aantekening van de uitspraak heeft aangegeven, dat in het proces-verbaal "ruimte is ontstaan voor het voeren van het verweer zoals door betrokkene gedaan".

3.7. Tegenover het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal staat derhalve slechts de blote ontkenning van de betrokkene dat hij de gedraging heeft verricht. Het hof ziet geen aanleiding om in casu meer geloof te hechten aan het betoog van de betrokkene dan aan de waarnemingen van de verbalisant zoals die zijn neergelegd in het zaakoverzicht en het aanvullend proces-verbaal van 6 december 2000.

3.8. Aan de betrokkene moet worden toegegeven, dat niet blijkt van omstandigheden op grond waarvan de politieambtenaar zich zou kunnen beroepen op enige op artikel 147 van de Wegenverkeerswet 1994 gebaseerde vrijstelling als omschreven in artikel 91van het RVV 1990. Dat leidt echter niet tot de daaraan door de betrokkene verbonden conclusie, dat wanneer hij rechts zou hebben ingehaald de verbalisant noodzakelijkerwijze heeft gehandeld in strijd met de in artikel 3, eerste lid van het RVV 1990, neergelegde verplichting dat bestuurders zoveel mogelijk rechts houden. Uit het proces-verbaal valt immers af te leiden, dat de verbalisant achter de voor hem rijdende auto bezig was een ander voertuig in te halen. Overigens kan in het algemeen het feit, dat een ander een gedraging verricht als bedoeld in artikel 2, eerste lid van de WAHV, het zelf begaan van een dergelijke gedraging niet rechtvaardigen of verontschuldigen.

3.9. Gelet op het vorenoverwogene zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen en het bij de kantonrechter ingesteld beroep ongegrond verklaren.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door mrs. Vellinga, Dijkstra en Kalsbeek, in tegenwoordigheid van mr. Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.