Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AE5850

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
24-07-2002
Datum publicatie
25-07-2002
Zaaknummer
rolnummer 0000435
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrest d.d. 24 juli 2002

Rolnummer 0000435

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

eerste kamer voor burgerlijke zaken, heeft het volgende arrest gewezen inzake:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [appellant],

procureur: mr O.A. van Oorschot,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

procureur: mr D.K. Greveling.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 9 december 1998, op 31 maart 1999, op 20 oktober 1999 en op 6 september 2000 door de arrondissementsrechtbank te Leeuwarden, alsmede in de rolbeschikking van diezelfde rechtbank d.d. 5 april 2000.

Het geding in hoger beroep

Bij exploit van 5 december 2000 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van de vonnissen d.d. 20 oktober 1999 en d.d. 6 september 2000 met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 20 december 2000.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"dat [appellant] Uw Gerechtshof verzoekt het vonnis van 6 september 2000, gewezen door de Arrondissementsrechtbank te Leeuwarden onder rolnummer H 97-987 tussen appellant als gedaagde en geïntimeerde als eiser te vernietigen en opnieuw rechtdoende:

1. de vordering van [geïntimeerde] niet-ontvankelijk te verklaren, althans de vordering van [geïntimeerde] af te wijzen;

2. [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van beide instanties, waaronder de kosten van het deskundi- genonderzoek".

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd met als conclusie:

"bij arrest, zonodig onder verbetering en/of aanvulling der gronden te bekrachtigen het vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Leeuwarden, gewezen op 6 september 2000, onder rolnummer H97-987, gewezen tussen appellant als gedaagde en geïntimeerde als eiser en bij arrest uitvoerbaar bij voorraad appellant te veroordelen in de kosten van beide instanties".

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

Door [appellant] zijn de volgende grieven opgeworpen:

- tegen het vonnis van 20 oktober 1999:

Grief I: "Ten onrechte heeft de Arrondissementsrechtbank te Leeuwarden in haar vonnis van 6 september 2000 overwogen dat er geen aanleiding is te twijfelen aan de onpartijdigheid van de deskundige (overweging 1.2)".

- tegen het vonnis van 6 september 2000:

Grief II: "Ten onrechte heeft de Arrondissementsrechtbank in haar vonnis van 6 september 2000 overwogen dat vaststaat dat de merrie is afgekeurd voor opname in het stamboek en daarmee dat de conclusie gerechtvaardigd is dat de merrie ongeschikt is voor de fokkerij (rechtsoverweging 2.1)".

Grief III: "Ten onrechte heeft de Arrondissementsrechtbank in haar vonnis van 6 september 2000 overwogen dat gelet op de omstandigheden geoordeeld moet worden dat de merrie niet voldoet aan hetgeen [geïntimeerde] op basis van de koopovereenkomst mocht verwachten".

Grief IV: Ten onrechte heeft de Arrondissementsrechtbank in haar vonnis van 6 september 2000 overwogen dat het verweer van [appellant] dat de merrie voetstoots zou zijn verkocht in het onderhavige geschil [appellant] niet kan baten. Eveneens oordeelt de Arrondissementsrechtbank ten onrechte dat een dergelijk algemeen exonoratiebeding aansprakelijkheid voor het ontbreken van een als essentieel onderdeel van de koopovereenkomst te beschouwen eigenschap niet kan uitschakelen".

Grief V: "Ten onrechte heeft de Arrondissementsrechtbank geoordeeld dat het verweer van [appellant], dat [geïntimeerde] niet tijdig heeft geklaagd, onvoldoende onbesproken is gelaten door [appellant], op grond waarvan dit verweer van [appellant] niet slaagt".

Grief VI: "Ten onrechte overweegt de Arrondissementsrechtbank dat op grond van al hetgeen is overwogen in het vonnis, de koopovereenkomst op 9 oktober 1997 ontbonden is".

Grief VII: "Ten onrechte overweegt de Arrondissementsrechtbank dat [appellant] onvoldoende gemotiveerd heeft onderbouwd dat de merrie sterk in waarde is gedaald door met name de slechte verzorging door [geïntimeerde] en ten onrechte is de Arrondissementsrechtbank derhalve niet bereid de vordering naar redelijkheid en billijkheid te schatten tot een bedrag van

f 5.000,--".

Grief VIII: "Ten onrechte beslist de Arrondissementsrechtbank als volgt:

"verklaart voor recht dat de in september 1995 tussen [geïntimeerde] en [appellant] gesloten koopovereenkomst op 9 oktober 1997 buitengerechtelijk is ontbonden;

veroordeelt [appellant] om [geïntimeerde] te betalen het bedrag van f 11.000,-- te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 17 oktober 1997 tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op

f 536,82 voor verschotten, f 2.350,-- voor deskundigenkosten en f 2.555,-- voor salaris procureur;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde".

De beoordeling

1. Op deze zaak is het procesrecht van toepassing zoals dat gold tot 1 januari 2002.

2. Tegen het vonnis van 9 december 1998 is geen hoger beroep ingesteld, zodat het hof zal hebben uit te gaan van de vaststaande feiten zoals die in dat vonnis onder overweging 2 (2.1 t/m 2.4) zijn vermeld.

Met betrekking tot grief I:

3. Naar aanleiding van de door [appellant] bij akte d.d. 9 februari 2000 geopperde bezwaren tegen de persoon van de door de rechtbank benoemde deskundige, heeft de rechtbank bij rolbeschikking d.d. 5 april 2000 nadere vragen aan de deskundige gesteld, betrekking hebbende op zijn onpartijdigheid.

Op grond van de daarop van de deskundige verkregen antwoorden (als weergegeven in het vonnis van 6 september 2000, waarvan beroep) heeft de rechtbank de bezwaren van [appellant] gemotiveerd verworpen. Het hof verenigt zich met deze overwegingen en neemt die hierbij over. Het hof voegt daar nog aan toe dat ook in hoger beroep geen nieuwe elementen terzake zijn gesteld of gebleken die de twijfel aan de onpartijdigheid van de deskundige kunnen voeden. Zo liggen bijvoorbeeld geen andersluidende bevindingen van een door [appellant] aangezochte partij-deskundige voor.

4. De grief faalt.

Met betrekking tot de grieven II t/m IV:

5. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

6. Zoals [appellant] bij conclusie van dupliek in eerste aanleg onder het kopje "vaststaande feiten" onomwonden toegeeft, staat tussen partijen vast dat [geïntimeerde] op zoek was naar een merrie geschikt voor de fokkerij. Door vervolgens het paard in kwestie aan [geïntimeerde] te verkopen heeft [appellant] derhalve (al dan niet impliciet) gegarandeerd dat het paard geschikt was voor de fokkerij. Op grond van de bevindingen van de deskundige - aan wiens deskundigheid het hof niet twijfelt en wiens bevindingen niet door andersluidende deskundigenberichten en of documentatie worden aangevochten, zodat het hof die tot de zijne maakt - is het hof met de rechtbank van oordeel dat het onderhavige paard niet voldoet aan hetgeen [geïntimeerde] op basis van de overeenkomst (en de daarin besloten liggende garantie) mocht verwachten.

7. Het verweer dat de merrie "voetstoots" is verkocht doet daaraan niet af. Zelfs al zou in het algemeen een voetstootse verkoop impliceren dat de koper op "eigen baten en schade" de koop aangaat (zie hetgeen [appellant] dienaangaande onder 3.4 bij dupliek in eerste aanleg heeft gesteld en heeft herhaald in zijn toelichting op grief IV onder 4.2), dan nog laat dat onverlet dat bij een bepaalde koop wel een garantie kan worden verstrekt. Die situatie doet zich in casu voor.

8. Het getuigenbewijs dat [appellant] op dit punt heeft aangeboden is derhalve niet relevant.

9. [appellant] kan zich niet met succes beroepen op het verzaken van de onderzoeksplicht door [geïntimeerde] nu hij zelf de op hem rustende mededelingsplicht, inzake het feit dat het paard reeds op 21 juli 1993 ter keuring was aangeboden, niet is nagekomen. [appellant] heeft weliswaar aangegeven dat de betreffende keuring niet is voltooid, doch dat laat onverlet dat hij - nu hij wist dat [geïntimeerde] een paard zocht voor de fokkerij - gewag had dienen te maken van de aanbieding ter keuring in 1993 en van de resultaten van dat onderzoek.

10. De grieven snijden geen hout.

Met betrekking tot grief V:

11. [geïntimeerde] heeft bij conclusie van repliek in eerste aanleg gemotiveerd aangegeven waarom hij het paard eerst op 4 augustus 1996 ter keuring heeft aangeboden. [appellant] heeft een en ander in eerste aanleg onbesproken gelaten en laat dat ook in hoger beroep onbesproken. In de toelichting op de grief oppert hij enkel de mogelijkheid dat het paard is afgekeurd op grond van gebreken die zijn ontstaan in de periode tussen de verkoop en levering van het paard aan [geïntimeerde] en 4 augustus 1996. Daargelaten dat [appellant] deze nieuwe stelling totaal niet heeft onderbouwd en terzake geen gespecificeerd bewijsaanbod heeft gedaan, kan deze stelling [appellant] niet baten. Onweersproken staat immers vast dat het paard "erg onderstandige voorbenen" had (door [geïntimeerde] bij repliek in eerste aanleg gesteld en door [appellant] noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep weersproken en ook reeds vastgesteld bij de "keuring"in 1993). Gelet op hetgeen de deskundige [deskundige] in zijn rapport heeft vastgelegd (onderstandige benen liggen in het skelet vast en kunnen niet veranderen) moet het er derhalve voor worden gehouden dat het paard alleen al op grond van gebreken die reeds ten tijde van de verkoop en levering aanwezig waren nimmer had kunnen worden goedgekeurd voor het stamboek.

12. Nu [geïntimeerde] onweersproken heeft gesteld dat hij [appellant] reeds op 5 augustus 1996 (de dag na de keuring) heeft geconfronteerd met de uitkomst van de keuring, is het hof van oordeel dat [geïntimeerde] binnen bekwame tijd (als bedoeld in lid 1 van artikel 7:23 BW) kennis aan [appellant] heeft gegeven van zijn bevindingen.

13. De grief faalt.

Met betrekking tot grief VI:

14. In het vorenoverwogene ligt besloten dat de grief vruchteloos is voorgesteld.

Met betrekking tot grief VII:

15. [geïntimeerde] heeft onweersproken gesteld dat - nadat hij [appellant] in kennis had gesteld van de uitslag van de keuring - hij [appellant] heeft voorgesteld het paard terug te nemen dan wel de koopprijs aan te passen (zie conclusie van repliek onder 9). Omdat [appellant] daarop niet wilde ingaan is hij op 29 augustus 1996 door de advocaat van [geïntimeerde] aangeschreven (zie productie 3 bij de conclusie van repliek) met het verzoek te willen meewerken aan een minnelijke regeling, zulks onder aanzegging van dagvaarding of andere rechtsmaatregelen voor het geval [appellant] niet of negatief zou reageren. De inleidende dagvaarding is vervolgens op 4 november 1997 uitgebracht.

Onder deze omstandigheden is er geen enkele reden om te korten op de terug te geven koopprijs in verband met het feit dat [geïntimeerde] het paard gedurende een aantal jaren in zijn bezit heeft gehad.

16. Dat het paard door slechte verzorging gedurende die periode in waarde is gedaald is weliswaar door [appellant] gesteld, maar op geen enkele wijze onderbouwd. De "natte mok" waar [appellant] in hoger beroep gewag van maakt is weliswaar door de deskundige [deskundige] op enig moment geconstateerd, doch - daargelaten of het paard terzake nadien niet is behandeld - is gesteld noch gebleken dat het paard dientengevolge in waarde achteruit is gegaan.

17. [appellant] heeft derhalve, terzake van hetgeen hij aan deze grief ten grondslag heeft gelegd, niet voldaan aan zijn stelplicht, zodat aan zijn (in algemene termen gedane) bewijsaanbod kan worden voorbijgegaan, voorzover het al op deze grief betrekking heeft.

18. De grief faalt eveneens.

Met betrekking tot grief VIII:

19. De grief mist zelfstandige betekenis en treft derhalve evenmin doel.

Slotsom

De vonnissen waarvan beroep dienen te worden bekrachtigd met veroordeling van [appellant] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in hoger beroep.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de vonnissen van 20 oktober 1999 en van 6 september 2000, waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van [geïntimeerde] op Euro 288,15 aan verschotten en op Euro 544,54 aan salaris voor de procureur;

verklaart dit arrest voor wat de kostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs Mollema, voorzitter, Meijeringh en Verschuur, raden, en uitgesproken door mr Streppel, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van Bilstra als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 24 juli 2002.