Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AE5809

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
24-07-2002
Datum publicatie
24-07-2002
Zaaknummer
rekestnummer 0100289
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2003, 1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 24 juli 2002

Rekestnummer 0100289

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

beschikking in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna ook te noemen: de man,

procureur mr W.A. Veenstra,

tegen

[geïntimeerde],

onbekende woon- of verblijfplaats in Zuid-Afrika,

geïntimeerde,

hierna ook te noemen: de vrouw,

niet verschenen.

De inhoud van de tussenbeschikking van 7 november 2001 wordt hier overgenomen.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een tweetal brieven d.d. 8 februari 2002 en d.d. 26 februari 2002 van de raad voor de kinderbescherming met bijlage.

Ter zitting van 16 mei 2002 is de zaak behandeld.

De beoordeling

Nieuwe feiten

1. Uit het door de raad voor de kinderbescherming overgelegde uittreksel uit de basisadministratie van [gemeente] d.d. 15 februari 2002 blijkt dat de vrouw op 20 april 2001 is vertrokken naar Zuid-Afrika.

2. Bij brief d.d. 26 februari 2002 heeft de raad voor de kinderbescherming medegedeeld dat hij om die reden het onderzoek naar de mogelijkheden van omgang tussen de man en [minderjarige kind] heeft stopgezet.

De bevoegdheid van de Nederlandse rechter

3. Het inleidend verzoekschrift van de man gedateerd 27 november 1998 is ingediend bij de rechtbank te Leeuwarden. Aangezien geen feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken die tot een ander oordeel moeten leiden, heeft de rechtbank zich terecht bevoegd geacht kennis te nemen van en te beslissen op het door de man ingediende verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling tussen hem en zijn zoon [minderjarige kind].

4. De vraag dient beantwoord te worden, of het hof te Leeuwarden (ook thans nog) bevoegd is in hoger beroep kennis te nemen van en te beslissen op het verzoek van de man, nu vaststaat dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige kind] in de loop van het rechtsgeding (na verwijzing door de Hoge Raad van het geding naar dit hof) is gewijzigd en de vrouw en [minderjarige kind] sedert 20 april 2001 in Zuid-Afrika verblijven.

5. In het algemeen is voor de bevoegdheid van de rechter in

-kort gezegd- omgangszaken beslissend het tijdstip waarop in eerste aanleg zijn tussenkomst wordt ingeroepen. Dit betekent dat wanneer, beoordeeld naar dat tijdstip, bevoegdheid bestaat, een latere wijziging in de omstandigheden welke die bevoegdheid bepalen, in het algemeen aan die bevoegdheid geen afbreuk meer kan doen.

6. Dit kan anders zijn, indien de bevoegdheid van de rechter in omgangszaken tevens beantwoord moet worden aan de hand van de (afwijkende) bevoegdheidsregelingen zoals neergelegd in de (voor Nederland toepasselijke) Verordening (EG) nr. 1347/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid voor gemeenschappelijke kinderen (Brussel II) of het Verdrag betreffende de bevoegdheid der autoriteiten en de toepasselijke wet inzake de bescherming van de minderjarigen van 5 oktober 1996 (Trb. 1968, 101, Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961, hierna HKV).

7. Brussel II is uitsluitend van toepassing op de lidstaten van de EG, terwijl het HKV uitsluitend van toepassing is tussen de verdragsluitende staten. Aangezien Zuid-Afrika noch lidstaat is van de EG, noch behoort tot de verdrag-sluitende staten van het HKV, missen Brussel II en het HKV hierom toepassing.

8. Aangezien er geen andere (verdrags)bepalingen toepasselijk zijn die tot een ander oordeel moeten leiden, is de Nederlandse rechter -in deze het hof te Leeuwarden- bevoegd kennis te nemen van en te beslissen op het onderhavige verzoek van de man.

De omgangsregeling

9. In het algemeen is het in het belang van een kind te achten dat het omgang heeft met de niet met het gezag belaste ouder. Dienovereenkomstig heeft de wetgever dan ook bepaald dat het kind en de niet met het gezag belaste ouder recht op omgang met elkaar hebben. Dat recht kan slechts worden ontzegd op de in art. 1:377a lid 3 BW omschreven gronden.

10. Centraal staat derhalve de vraag, of zich een (of meer) van de in artikel 1:377a lid 3 opgesomde ontzeggingsgronden voordoen, welke als gemeenschappelijk kenmerk hebben dat omgang in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

11. Nu niet is gebleken van gronden om de man de omgang met [minderjarige kind] te ontzeggen, zal het hof - onder wijziging van de beschikking d.d. 22 oktober 1997 - een omgangsregeling tussen de man en [minderjarige kind] vaststellen overeenkomstig diens inleidend verzoek van één weekend per veertien dagen.

Slotsom

12. Op grond van het voorgaande dient de beschikking waarvan beroep te worden vernietigd en er zal opnieuw worden beslist zoals hieronder aangegeven.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank van 7 juli 1999

en opnieuw beslissende:

wijzigt de beschikking van 22 oktober 1997 en stelt tussen de man en de minderjarige [kind], geboren op 3 oktober 1993, een omgangsregeling vast in die zin dat de man gerechtigd is de minderjarige één weekend per veertien dagen bij zich te ontvangen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gegeven door mrs Bloem, voorzitter, Melssen en Van Eck, raden, en uitgesproken door mr Streppel, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van de heer Bilstra als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 24 juli 2002.