Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AE5808

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
24-07-2002
Datum publicatie
24-07-2002
Zaaknummer
rekestnummer 0100253
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Beschikking d.d. 24 juli 2002

Rekestnummer 0100253

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

beschikking in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna ook te noemen: de man,

procureur mr P.H. Redeker,

advocaat mr J. Klopstra,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna ook te noemen: de vrouw,

procureur mr M.R Bartels,

advocaat mr K.J. Zeef.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 22 mei 2001 heeft de rechtbank te Groningen het verzoek van de man tot wijziging van de beschikking van 7 maart 2000 van de rechtbank te Groningen afgewezen.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 19 juli 2001, heeft de man verzocht de beschikking van 22 mei 2001 te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, onder wijziging van de beschikking van 7 maart 2000 de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in haar levensonderhoud te bepalen op nihil met ingang van december 2000, althans op een zodanig bedrag en vanaf een zodanige datum als het hof juist acht.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 23 augustus 2001, heeft de vrouw het verzoek bestreden en verzocht, onder afwijzing van het verzoek van de man, de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen, al dan niet met wijziging van de gronden, met veroordeling van de man in de kosten van deze procedure.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een akte overlegging producties d.d. 8 oktober 2001 van mr Redeker met bijlagen.

Ter zitting van 22 november 2001 is de zaak behandeld.

De beoordeling

Vaststaande feiten

1. Partijen zijn op 19 juni 1970 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. Uit dit huwelijk zijn geen kinderen geboren.

2. Op 16 februari 2000 hebben partijen een overeenkomst gesloten, welke is vastgelegd in een echtscheidingsconvenant. Dit convenant betreft onder meer afspraken over de onderhoudsbijdrage van de man. Bij gemeenschappelijk verzoek van 17 februari 2000 hebben partijen de rechtbank verzocht de echtscheiding tussen hen uit te spreken.

3. Bij beschikking van 7 maart 2000 heeft de rechtbank te Groningen de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud op grond van het door partijen op 16 februari 2000 opgemaakte convenant bepaald op f 2.053,- per maand.

4. De tussen partijen gewezen echtscheidingsbeschikking d.d.

7 maart 2000 is op 21 maart 2000 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, zodat op die datum de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw is aangevangen.

5. Van deze beschikking d.d. 7 maart 2000, voor zover betrekking hebbende op de alimentatie, heeft de man wijziging gevraagd en verzocht de door de man ten behoeve van de vrouw te betalen bijdrage vanaf december 2000 te bepalen op nihil. Dit verzoek is afgewezen in de beschikking waarvan beroep.

Het echtscheidingsconvenant

6. Artikel 1 van het echtscheidingsconvenant luidt:

lid 1: "Partijen komen overeen dat de man een maandelijkse bruto bijdrage zal leveren in de kosten van levensonderhoud van de vrouw van f 2.053,-.

lid 2: Partijen komen overeen dat de man de bruto bijdrage overeenkomstig het vorige lid niet kan wijzigen bij rechterlijke uitspraak op grond van gewijzigde omstandigheden."

De standpunten

7. De man stelt zich op het standpunt dat er zich sedert het aangaan van de - in het echtscheidingsconvenant neergelegde - overeenkomst een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan dat de man naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het beding van niet-wijziging mag worden gehouden. De man voert daartoe aan dat ten tijde van het opmaken van het echtscheidingsconvenant niet te voorzien was dat de man zich heeft moeten terugtrekken uit het [B.V.] (hierna de B.V.) - waarvan hij uitvoerend directeur was - en dat zich daardoor een zodanige inkomensvermindering heeft voorgedaan dat hij niet meer in staat is de vastgestelde bijdrage ten behoeve van de vrouw ad f 2.053,- per maand te voldoen.

8. De vrouw voert hiertegen aan dat de door de man aangevoerde wijziging van omstandigheden voor rekening en risico van de man dient te komen, temeer nu de man zonder noodzaak en vrijwillig is teruggetreden uit het bedrijf. De situatie waarin de man thans verkeert is volgens de vrouw aan de man te wijten en mag niet ten koste gaan van de bijdrage ten behoeve van de vrouw. De vrouw is dan ook van mening dat het beding - en daarmee de in het echtscheidingsconvenant vastgelegde overeenkomst - in stand dient te blijven.

Artikel 1:159 lid 3 BW

9. Aan de orde is de vraag of zich na het sluiten van het echtscheidingsconvenant, te weten na 16 februari 2000, een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan, dat de man naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het beding van niet-wijziging mag worden gehouden en de overeenkomst ingevolge artikel 1:159 lid 3 BW bij beschikking kan worden gewijzigd.

10. Bij de beantwoording van deze vraag dient een afweging van alle bijzonderheden van het geval, beschouwd in onderling verband en samenhang, plaats te vinden.

11. Gesteld noch gebleken is dat de afspraken over de door de man te betalen onderhoudsbijdrage een zodanige samenhang hebben met (overbedeling van de man bij) de verdeling van de gemeenschap dat daaraan invloed moet worden toegekend bij de beantwoording van de vraag of het beding van niet-wijziging als bedoeld in artikel 1:159 lid 3 BW doorbroken mag worden.

12. Als onweersproken gesteld door de vrouw staat vast dat de mogelijkheid van het wegvallen van de eigen inkomsten van de man in het kader van de onderhandelingen, die hebben geleid tot het echtscheidingsconvenant, besproken is.

13. Uit het vorenstaande volgt dat de man bij het vaststellen van de onderhoudsbijdrage de (nadelige) gevolgen van een inkomensvermindering in beginsel volledig voor zijn rekening heeft genomen.

14. Uit de stukken en de behandeling ter zitting is daarnaast het volgende gebleken.

Sedert 1982 was de man werkzaam in het bedrijf van de B.V., laatstelijk als uitvoerend directeur.

De man zag zich genoodzaakt zich terug te trekken uit de B.V. omdat zijn broer - die sedert 1984 werkzaam is bij de B.V.- regelmatig meer geld uit de B.V. opnam dan was afgesproken; (mede) hierdoor is de verstandhouding tussen de man en zijn broer verslechterd.

Dat voormelde geldopnames plaats vonden, bleek op eenvoudige wijze uit de boekhouding.

De man heeft geen vergoeding bedongen, toen hij zich - kort na het sluiten van het echtscheidingsconvenant - uit de B.V. terug trok.

15. Gelet op vorenstaande feiten en omstandigheden, beschouwd in onderling verband en samenhang, is het hof van oordeel dat er voor de man onvoldoende reden was om zich uit de B.V. terug te trekken, laat staan zonder enige vergoeding. De man heeft derhalve zelf de inkomensachteruitgang veroorzaakt.

16. Een en ander brengt met zich mee dat de gevolgen van de vermindering van de draagkracht van de man niet op de vrouw mogen worden afgewenteld.

17. Gelet op het vorenstaande is er geen sprake van een zodanige situatie dat de vrouw de man naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het beding mag houden.

18. Uit het voorgaande volgt dat het beding in stand blijft en de afspraak tussen partijen die in artikel 1 van het echtscheidingsconvenant is vastgelegd onverkort van kracht is.

Slotsom

19. Gelet op het voorgaande dient de beschikking waarvan beroep te worden bekrachtigd.

20. Nu partijen gewezen echtgenoten zijn, worden de kosten van het geding in hoger beroep gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van het geding in hoger beroep draagt.

Aldus gegeven door mrs Boon, voorzitter, Bloem en Laagland, raden, en uitgesproken door mr Streppel, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van de heer Bilstra als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 24 juli 2002.