Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AE5800

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
24-07-2002
Datum publicatie
24-07-2002
Zaaknummer
rekestnummer 0100424
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2003, 19

Uitspraak

Beschikking d.d. 24 juli 2002

Rekestnummer 0100424

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

beschikking in de zaak van

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna ook te noemen: de vrouw,

procureur mr J.S. Bauer,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna ook te noemen: de man,

procureur mr V.M.J. Both,

advocaat mr E.G. Harderwijk.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 10 januari 2001 heeft de rechtbank te Leeuwarden onder meer:

- de echtscheiding tussen partijen uitgesproken;

- de vrouw in het alimentatieverzoek ten aanzien de zoon van partijen, [zoon] geboren op [1982], niet ontvankelijk verklaard;

- partijen gelast de huwelijksgemeenschap te verdelen;

en de zaak aangehouden wat betreft:

- de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw;

- de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige dochter van partijen, [dochter], geboren op [1985];

- de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap.

Bij beschikking van 24 oktober 2001 heeft de rechtbank te Leeuwarden:

- de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw:

* over de periode van 28 maart 2001 tot 1 september 2001, bepaald op nihil en

* met ingang van 1 september 2001 bepaald op f 1.337,- per maand;

- de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [dochter], geboren op [1985],

* over de periode van 28 maart 2001 tot 1 september 2001 bepaald op nihil en

* met ingang van 1 september 2001 bepaald op f 530,- per maand;

- het overige, waaronder hetgeen met betrekking tot de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap is verzocht, afgewezen.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 21 december 2001, heeft de vrouw verzocht voormelde beschikkingen van 10 januari 2001 en 24 oktober 2001 te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verzoeken van de vrouw met betrekking tot de alimentatie voor haar en de kinderen van partijen, zoals geformuleerd in haar inleidend verzoekschrift tot echtscheiding onder b tot en met h en zoals gewijzigd door de vrouw bij verweerschrift op het zelfstandig verzoek van de man tevens wijziging verzoek, toe te wijzen, kosten rechtens.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 12 februari 2002, heeft de man het verzoek bestreden en verzocht de vrouw in haar beroep niet ontvankelijk te verklaren, althans haar dit te ontzeggen en de beschikking van de rechtbank te Leeuwarden 24 oktober 2001 te bekrachtigen.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een brief d.d. 8 april 2002 met bijlage van mr Harderwijk.

Ter zitting van 11 april 2002 is de zaak behandeld.

De beoordeling

Inleiding

1. Partijen zijn op 12 december 1980 gehuwd in algehele gemeenschap van goederen. Uit dit huwelijk zijn twee kinderen geboren, te weten [zoon] op [1982], en [dochter], op [1985]. Partijen hebben concept-afspraken gemaakt terzake gevolgen van echtscheiding, gedateerd 10 juli 1999, door beide partijen ondertekend (bijlage 1 bij verweerschrift zelfstandig verzoek zijdens de vrouw in eerste aanleg). De vrouw heeft op 30 mei 2000 een verzoekschrift tot echtscheiding en nevenvoorzieningen bij de rechtbank Leeuwarden ingediend.

Bij beschikking van 10 januari 2001 heeft de rechtbank te Leeuwarden onder andere de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en voorts beslist zoals hiervoor is weergegeven. Deze beschikking is op 28 maart 2001 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Bij beschikking van 24 oktober 2001 is over de bijdragen ten behoeve van de vrouw en de minderjarige [dochter] beslist op voormelde wijze.

Het beroep tegen de beschikking van 10 januari 2001

2. Voor het geval de vrouw heeft willen stellen en is blijven stellen dat het appèl ook omvat de alimentatie ten behoeve van [zoon] en dat de vrouw als gemachtigde voor [zoon] optreedt, is zij voor dat deel van het hoger beroep niet ontvankelijk. Immers, nu bij beschikking van 10 januari 2001 op dit punt een eindbeschikking is gegeven, had door de vrouw binnen twee maanden nadien appèl moeten zijn ingesteld, hetgeen niet is geschied.

3. De vrouw zal derhalve niet ontvankelijk worden verklaard in haar beroep tegen de beschikking van 10 januari 2001 voor zover betrekking hebbend op de alimentatie voor [zoon]. Voor het overige zal de beschikking van 10 januari 2001, voorzover deze nog verder in het beroep is betrokken, worden bekrachtigd, nu de grieven het dictum dezer beschikking niet raken.

De geschilpunten

4. De geschilpunten tussen partijen betreffen:

- de concept-afspraken van partijen d.d. 10 juli 1999;

- de behoefte van de vrouw;

- de draagkracht van de man en wel op de volgende punten:

* het inkomen van de man;

* de kosten van de omgang.

De concept-afspraken d.d. 10 juli 1999

5. Tussen partijen is in geschil of de door hen op 10 juli 1999 gemaakte concept-afspraken zijn aan te merken als een -rechtens afdwingbare- alimentatieovereenkomst in de zin van art 1:158 BW en of deze concept-afspraken een beding van niet-wijziging inhouden als bedoeld in art 1:159 lid 1 BW en voorts of een dergelijk beding van niet-wijziging naderhand in de over en weer gewisselde correspondentie zou zijn overeengekomen.

6. Wat er zij van de vraag of voormelde concept-afspraken een beding van niet-wijziging inhouden in de zin van art 1:159 lid 1 BW, op grond van art 1:159 lid 2 BW is een eventueel beding vervallen, nu niet binnen drie maanden nadien een verzoek tot echtscheiding is ingediend.

7. Ten aanzien van de vraag of er naderhand een beding van niet-wijziging tot stand is gekomen oordeelt het hof als volgt. Uit de stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat de raadsvrouw van de man naar aanleiding van de concept-afspraken van partijen van 10 juli 1999 bij brief van 13 september 1999 aan de raadsvrouw van de vrouw een convenant met een niet-wijzigingsbeding heeft toegezonden. Dit concept-convenant is aan te merken als een aanbod in de zin van art. 6:217 lid 1 BW. De raadsvrouw van de vrouw heeft bij brief van 9 maart 2000 op dit aanbod gereageerd door toezending van een nieuw concept-convenant. Dit nieuwe concept wijkt in verschillende opzichten, ook op het punt van het niet-wijzigingsbeding (zo op het punt van ingangsdatum/termijn en uitzonderingsgevallen), sterk af van dat van de raadsvrouw van de man. Ingevolge het bepaalde in art. 6:225 lid 1 BW, heeft deze reactie van de raadsvrouw van de vrouw dan ook te gelden als een nieuw aanbod onder verwerping van het oorspronkelijke. Dit brengt mee dat -ook ten aanzien van het niet-wijzigingsbeding- geen sprake is van een aanbod dat is aanvaard zodat, gelet op art 6:217 lid 1 BW, ook naderhand geen niet-wijzigingbeding tussen partijen is overeengekomen.

8. Wat er zij van de vraag of er in de concept-afspraken van 10 juli 1999 een rechtens bindende afspraak is gemaakt over de door de man te betalen alimentatie, niet staat vast dat partijen de gevolgen van het einde van het dienstverband van de man per 31 december 2000 in deze afspraken hebben verdisconteerd. Dit brengt mee dat het einde van het dienstverband van de man per 31 december 2000 is aan te merken als een relevante wijziging van omstandigheden op grond waarvan een hernieuwde beoordeling van de draagkracht van de man per 31 december 2000 gerechtvaardigd is.

De behoefte van de vrouw

9. Partijen houdt verdeeld het antwoord op de vraag of en in hoeverre de vrouw in staat is om door middel van inkomsten uit arbeid en/of vermogen in haar levensonderhoud te voorzien.

10. Uit de stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat de vrouw thans 45 jaar oud is, dat zij alleen beschikt over een kleuterleidstersdiploma van de voormalige kweekschool en dat zij tijdens het huwelijk van partijen nauwelijks als kleuterleidster heeft gewerkt. Voorts is gebleken dat de vrouw tijdens het huwelijk de zorg heeft gehad over de minderjarige kinderen van partijen en dat zij ook thans nog de zorg heeft over de minderjarige dochter van partijen.

11. Het hof is van oordeel dat het, gelet op voormelde omstandigheden, niet is te verwachten dat de vrouw binnen afzienbare tijd middels inkomsten uit arbeid in haar eigen levensonderhoud zal kunnen voorzien. De vrouw heeft derhalve behoefte aan een bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud.

12. Uit de stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat de vrouw (inkomsten uit) vermogen heeft. Mede gelet op de aanzienlijke welstand van partijen tijdens het huwelijk, acht het hof niet aannemelijk dat het rendement uit dit vermogen van de vrouw en de hierna vast te stellen door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud de behoefte van de vrouw te boven gaat.

Het inkomen van de man

13. Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag van welk inkomen van de man -uit arbeid en uit vermogen- bij de beoordeling van de draagkracht van de man moet worden uitgegaan.

* het inkomen uit arbeid

14. Uit de stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat het dienstverband van de man bij [voormalige werkgever] per 31 december 2000 is beëindigd en dat de man daarna werkzaamheden is gaan verrichten voor zijn in 1996 opgerichte B.V. [B.V.]. Volgens de man bedroeg de omzet van deze B.V. over 2001 f 93.000,- en waren de loonkosten (ten behoeve van de man) f 84.000,-. Het bedrag aan loonkosten komt overeen met het bedrag dat op de jaaropgaaf over het jaar 2001 van deze B.V. als bruto jaarinkomen van de man staat vermeld als ook met het bedrag dat in de aangifte van de inkomstenbelasting over 2001 van de man d.d. 17 maart 2002 als "inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking" (box 1) staat genoemd.

15. Het hof acht voorshands niet aannemelijk dat het loon van de man bij de B.V. zoals vermeld op voormelde jaaropgaaf 2001 nadien substantieel is gewijzigd. Het hof zal derhalve bij de beoordeling van de draagkracht van de man voor wat betreft diens inkomen uit werk en woning (box 1) uitgaan van voormeld bruto jaarinkomen volgens de jaaropgave 2001.

* het inkomen uit vermogen

16. De man heeft onweersproken gesteld dat elk van partijen na de verdeling van de huwelijksgemeenschap, die in 2001 heeft plaats gevonden, over een gelijk vermogen beschikten. Volgens de aangifte inkomstenbelasting 2001 d.d. 17 maart 2002 bedroeg de totale waarde aan bezittingen van de man op 31 december 2001 f 569.803,-.

17. Nu dit vermogen grotendeels is gevormd door de opbrengst uit de verkoop van de voormalige echtelijke woning van partijen, en nu uit de stukken is gebleken dat deze woning voor 1 september 2001 is verkocht, acht het hof het redelijk om met ingang van 1 september 2001 rekening te houden met de inkomsten die de man redelijkerwijs uit voormeld vermogen kan genereren.

18. Uitgaande van een fictief rendement van 4%, moet de man in staat zijn om een bedrag van f 22.792,- bruto per jaar aan inkomen uit voormeld vermogen te genereren. Het hof zal daarom bij de beoordeling van de draagkracht van de man met ingang van 1 september 2001 rekening te houden met dit bedrag aan inkomen uit sparen en beleggen (box 3). Voorts zal met ingang van deze datum geen rekening meer worden gehouden met de lasten van de voormalige echtelijke woning.

De kosten van de omgang

19. Tussen partijen is in geschil of er rekening moet worden gehouden met de kosten van omgang.

20. Ter zitting is gebleken dat de twee kinderen van partijen met enige regelmaat een weekend bij de man in [woonplaats] verblijven en dat hij af en toe met hen op vakantie gaat. Het hof acht het dan ook redelijk om voor de kosten van omgang het door de man opgevoerde bedrag van f 229,- per maand mee te nemen.

Vaststelling van de alimentatie

21. Gelet op het vorenstaande en voorts uitgaande van de niet betwiste gegevens -waaronder die in de beschikking waarvan beroep en die in de bij verweerschrift in beroep gehechte draagkrachtberekening van de man- wordt de draagkracht van man berekend als volgt:

* de periode van 28 maart 2001 tot 1 september 2001:

Inkomsten:

Brutoloon volgens jaaropgaaf: 84.000

Belastbaar loon: 84.000

Rente en kosten hypotheekschuld: 47.200-

Premie WAZ 4.840-

Belastbaar inkomen box 1: 31.960

Inkomensheffing box 1: 10.339-

Heffingskorting (alg+arb): 5.500+

Totaal aan inkomstenbelasting: 4.839

Totaal inkomsten box 1: 84.000

Totaal aan inkomstenbelasting: 4.839-

Besteedbaar inkomen per jaar: 79.161

Besteedbaar inkomen per maand: 6.597

Lasten:

Avv alleenstaande 2001-1: 1.266

Huur: 1.095+

Hypotheekrente: 3.933+

Aflossing hypotheek e.d.: 758+

Forfait overige eigenaarslasten: 175+

Ziektekostenverzekering: 85+

WAZ-premie: 403+

Kosten omgang: 229+

Draagkrachtloos inkomen: 7.944-

Draagkrachtruimte: nihil

De man is derhalve niet in staat om in de periode van 28 maart 2001 tot 1 september 2001 bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw en evenmin in de kosten van verzorging en opvoeding en de minderjarige dochter van partijen.

* met ingang van 1 september 2001:

Inkomsten:

Box 1:

Brutoloon volgens jaaropgaaf: 84.000

Belastbaar loon: 84.000

Premie WAZ 4.840-

Belastbaar inkomen box 1: 79.160

Inkomensheffing box 1: 28.906

Box 3:

Waarde van bezittingen: 569.803

Heffingsvrij vermogen: 38.785-

531.018

Forfaitair rendement (4% 531.018): 21.240

Inkomensheffing box 3: 6.372

Inkomsten box 1: 84.000

Inkomsten box 3: 22.792+

Totaal inkomsten box 1 en 3: 106.792

Inkomstenbelasting box 1: 28.906

Inkomstenbelasting box 3: 6.372+

Heffingskorting (alg+arb): 5.500-

Totaal aan inkomstenbelasting box 1 en 3: 29.778-

Besteedbaar inkomen per jaar: 77.014

Besteedbaar inkomen per maand: 6.418

Lasten:

Avv alleenstaande 2001-2: 1.281

Huur: 1.095+

Ziektekostenverzekering: 85+

WAZ-premie: 403+

Kosten omgang: 229+

Draagkrachtloos inkomen: 3.093-

Draagkrachtruimte: 3.325

Het voor alimentatie beschikbare deel bedraagt 60% van de draagkrachtruimte. Nu er geen grieven zijn gericht tegen de wijze waarop de rechtbank in de beschikking waarvan beroep de draagkracht van de man met ingang van 1 september 2001 aan de minderjarige dochter van partijen en aan de vrouw heeft toegerekend, zal het hof de rechtbank hierin volgen. Rekening houdend met het fiscaal voordeel dat de man over de bijdragen voor de vrouw en de minderjarige dochter kan genieten, is hij met ingang van 1 september 2001 in staat tot betaling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige dochter van f 530,- (240,51 euro) per maand en een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw van f 2.640,- (1.198,03 euro) per maand.

Slotsom

22. Op grond van het vorenstaande dient de vrouw niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar beroep tegen de beschikking van de rechtbank te Leeuwarden d.d. 10 januari 2001 met betrekking tot de onderhoudsbijdrage ten behoeve van [zoon] geboren op [1982], en dient deze beschikking voor het overige, voor zover deze nog verder in het beroep is betrokken, te worden bekrachtigd. Voorts zal de beschikking van de rechtbank te Leeuwarden van 24 oktober 2001 -doelmatigheidshalve- geheel voor wat betreft de alimentatie voor [dochter] en de vrouw worden vernietigd en zal opnieuw worden rechtgedaan zoals hieronder aangegeven.

23. Nu partijen gewezen echtgenoten zijn, worden de kosten van het geding in hoger beroep worden gecompenseerd, in die zin dat elk van partijen de eigen kosten draagt.

De beslissing

Het gerechtshof:

met betrekking tot de beschikking van de rechtbank te Leeuwarden van 10 januari 2001:

- verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in het door haar tegen deze beschikking ingestelde hoger beroep met betrekking tot de door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van [zoon] geboren op [1982];

- bekrachtigt de beschikking voor het overige, voor zover deze nog verder in het beroep is betrokken;

met betrekking tot de beschikking van de rechtbank te Leeuwarden van 24 oktober 2001:

- vernietigt de beschikking waarvan beroep voor zover het betreft de door de man aan vrouw te betalen bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [dochter], geboren op [1985], en in de kosten van levensonderhoud van de vrouw;

en in zoverre opnieuw beslissende:

- bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [dochter], geboren op [1985]:

* met ingang van 28 maart 2001 tot 1 september 2001 op nihil;

* met ingang van 1 september 2001 op 240,51 euro (f 530,-) per maand;

- bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw:

* met ingang van 28 maart 2001 tot 1 september 2001 op nihil;

* met ingang van 1 september 2001 op 1.198,03 euro (f 2.640,-) per maand;

- bepaalt dat deze bijdragen voor zover de termijnen niet zijn verstreken, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw dienen te worden voldaan;

- verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van het geding in hoger beroep draagt.

Aldus gegeven door mrs Bloem, voorzitter, Boon en Postma, raden, en uitgesproken door mr Streppel, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van dhr. Bilstra als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 24 juli 2002.