Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AE5798

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
19-07-2002
Datum publicatie
24-07-2002
Zaaknummer
BK 754/01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2004:AI0726
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2004:AI0726
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2002-1513
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 754/01 19 juli 2002

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, eerste enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van de heer X te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid Grote Ondernemingen van de belastingdienst te Groningen, onderdeel Team Energiepremies te Emmen (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de beslissing aan hem geen energiepremie toe te kennen.

1. Ontstaan en loop van het geding

Op 13 juni 2001 is op het verzoek van belanghebbende om een nader oordeel van de inspecteur over toekenning van energiepremie door de inspecteur negatief beslist. Belanghebbende heeft tegen deze beslissing bezwaar gemaakt. Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 4 september 2001 zijn beslissing van 13 juni 2001 gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen), hetwelk op 10 oktober 2001 is ingekomen.

Nadat de inspecteur zijn verweerschrift (met bijlagen) heeft ingezonden, heeft belanghebbende op 15 maart 2002 een conclusie van repliek ingediend, waarvan een afschrift is gezonden aan de inspecteur. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 28 maart 2002, gehouden te Groningen, alwaar aanwezig waren belanghebbende en de inspecteur, bijgestaan door een medewerker van zijn eenheid. De inspecteur heeft ter zitting een pleitnota overgelegd en voorgelezen.

Het hof heeft in deze zaak op 11 april 2002 in het openbaar mondeling uitspraak gedaan, waarvan het proces-verbaal bij aangetekend schrijven, ter post bezorgd op 24 april 2002, aan partijen is verzonden.

Bij schrijven ingekomen op 22 mei 2002 heeft belanghebbende op de wijze als bedoeld in artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen verzocht vorenbedoelde uitspraak te vervangen door een schriftelijke. De griffier heeft belanghebbende gewezen op het verschuldigde griffierecht ad € 36, - en de belanghebbende heeft vervolgens op 13 juni 2002 dat griffierecht voldaan.

Van alle vermelde (en hierna nog te vermelden) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting staat het volgende onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, vast:

2.1 Belanghebbende heeft in de jaren 1998 en 1999 materiaal op gebied van spouwmuurisolatie, dak/vlieringisolatie en isolatieglas (HR+) aangeschaft. Op 11 september 1998 en op 26 augustus 1998 zijn door een tweetal bedrijven facturen opgemaakt ter zake van het verrichten van timmerwerkzaamheden en van kraanwerkzaamheden.

2.2 Belanghebbende heeft ook materiaal aangeschaft, waarvan de betaling op 21 december 2000 heeft plaatsgevonden. Ter zake van dit materiaal is de aanvraag van belanghebbende van 3 februari 2001 om toekenning van energiepremie door het energiebedrijf op 15 maart 2001 toegewezen.

2.3 Met betrekking tot het onder punt 2.1 vermelde materiaal heeft belanghebbende een aanvraag om toekenning van energiepremie ingediend bij het energiebedrijf op 15 februari 2001. Het energiebedrijf heeft deze aanvraag op 22 maart 2001 afgewezen.

3. Het geschil en standpunten van partijen

In geschil is het antwoord op de vraag of de inspecteur terecht de onder punt 2.3 vermelde aanvraag heeft afgewezen. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de inspecteur bevestigend. Voor een uitgebreide onderbouwing van de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1 Artikel 36p van de Wet belastingen op milieugrondslag (: de Wbm) is met ingang van 1 januari 2000 gewijzigd. In dit artikel is met ingang van 1 januari 2000 de bijzondere regeling voor energiezuinige apparaten en energiebesparende voorzieningen opgenomen, de zogenaamde energiepremies. In het derde lid van dit artikel is bepaald dat degene die een verzoek om toekenning van de energiepremie heeft ingediend zich bij geschillen kan wenden tot de inspecteur.

4.2 Voor de uitvoering van artikel 36p van de Wet is de Uitvoeringsregeling Belastingen op Milieugrondslag (: de Uitvoeringsregeling Wbm) gewijzigd in die zin dat artikel 8o van deze regeling per 1 januari 2000 is ingevoerd. Ingevolge dit artikel moet het verzoek aan de inspecteur, als bedoeld in artikel 36p, derde lid, van de Wbm, worden ingediend binnen zes weken na de beslissing op het verzoek om toekenning van de energiepremie.

4.3 Op 15 februari 2001 is door het energiebedrijf A te L, het bedrijf dat elektriciteit of aardgas levert aan belanghebbende, een aanvraag om de toekenning van energiepremie van belanghebbende ontvangen ter zake van het onder punt 2.1 omschreven materiaal. Het energiebedrijf wijst deze aanvraag bij brief van 22 maart 2001 af, waarop belanghebbende zich wendt tot de inspecteur met het verzoek over zijn aanvraag uitspraak te doen. Weliswaar stelt de inspecteur ter zitting dat belanghebbende zich op 14 mei 2001 heeft gewend tot de inspecteur, de inhoud van de gedingstukken wijst op de datum 3 mei 2001. Met het oog op laatstgenoemde datum is het verzoek van belanghebbende tijdig bij de inspecteur binnengekomen. Belanghebbende is dan ook terecht in zijn verzoek door de inspecteur ontvankelijk verklaard.

4.4 Artikel 8n, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling Wbm bepaalt dat het verzoek aan het energiebedrijf dient te worden gedaan nadat de voorziening is aangebracht doch ten hoogste dertien weken na aanschaf van de voorziening. Ingevolge artikel 1, onderdeel 2, van de Regeling Energiepremie wordt onder "aanschaf" het volgende verstaan: het volledig in eigendom krijgen van de voorziening, de kosten moeten zijn betaald en de voorziening moet zijn aangebracht en in gebruik genomen. De grief van belanghebbende dat artikel 11 van de Regeling Energiepremie in strijd is met artikel 8n, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling Wbm treft geen doel. De tekst van artikel 11 van de Regeling Energiepremie geeft geen blijk van strijdigheid. De inhoud van dit artikel is een nadere definiëring van het begrip "aanschaf".

4.5 Belanghebbende, op wie de bewijslast in deze rust, maakt gelet op de onder punt 2.1 vermelde facturen niet aannemelijk dat hij zijn aanvraag bij het energiebedrijf heeft ingediend binnen dertien weken na aanschaf van de voorzieningen, waarbij het hof "aanschaf" opvat in de zin zoals omschreven in punt 4.4. Tevens heeft belanghebbende geen feiten of omstandigheden aangevoerd, die wijzen op verschoonbaarheid voor het niet tijdig indienen van de aanvraag. Belanghebbende doet wel een beroep op het vertrouwensbeginsel. Belanghebbende stelt dat er sprake is van een toezegging van de zijde van het energiebedrijf of van omstandigheden waaruit hij redelijkerwijs de indruk heeft kunnen ontlenen dat er sprake is van een bewuste standpuntbepaling, inhoudende dat de aanvraag ingediend dient te worden na het volledig aanbrengen van de voorzieningen en dat daarmee, naar het hof belanghebbende begrijpt, de aanvraag altijd tijdig zou zijn. Wat hiervan ook zij, de bewijslast voor de tijdigheid van de aanvraag - een en ander in de zin gelijk hiervóór overwogen - blijft rusten op belanghebbende. Aangezien belanghebbende hierin niet is geslaagd, treft zijn beroep geen doel.

4.6 Al hetgeen belanghebbende aanvoert, met name zijn beroep op strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur ter zake van het isolatieglas, doet zijn beroep niet slagen nu het de wetgever vrijstaat een regeling te introduceren eventueel in afwijking van een voorafgaande regeling. Het beroep van belanghebbende is ongegrond.

4.7 Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. De beslissing

Het hof verklaart het beroep ongegrond.

Gedaan op 19 juli 2002 door prof. mr. Aardema, vice-president, in tegenwoordigheid van de griffier mr. De Jong-Braaksma en op die dag in het openbaar uitgesproken en ondertekend door voornoemde vice-president en door voornoemde griffier.

Op 19 juli 2002 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.

De griffier van het Gerechtshof

te Leeuwarden.