Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AE5793

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
12-07-2002
Datum publicatie
24-07-2002
Zaaknummer
BK 180/01
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2002/38.2.8
V-N 2002/54.1.8

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 180/01 12 juli 2002

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, vierde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid particulieren van de belastingdienst te Groningen, vestiging Assen (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volks-verzekeringen voor het jaar 1999.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 De belanghebbende werd voor het jaar 1999 in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen aangeslagen naar een belastbaar inkomen als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964, gelijk deze wet voor het onderhavige jaar gold, (hierna te noemen: de Wet) van ƒ 113.644,--.

1.2 Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 26 januari 2001 de aanslag gehandhaafd.

1.3 Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen), hetwelk op 8 maart 2001 is ingekomen.

1.4 Nadat de inspecteur zijn verweerschrift (met bijlagen) heeft ingezonden, heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van het gerechtshof op 8 april 2002, gehouden te Groningen, alwaar de inspecteur aanwezig was. De belanghebbende is niet ter zitting verschenen. De griffier heeft verklaard dat hij belanghebbende bij aangetekende brief met ontvangstbevestiging van 7 maart 2002 aan het in het beroepschrift opgegeven adres heeft uitgenodigd voor de zitting op 8 april 2002 om 10.10 uur en dat deze ontvangstbevestiging getekend terug is gekomen.

1.5 Het gerechtshof heeft in deze zaak op 22 april 2002 in het openbaar mondeling uitspraak gedaan, waarvan het proces-verbaal bij aangetekend schrijven, ter post bezorgd op 6 mei 2002, aan partijen is verzonden.

1.6 Bij schrijven ingekomen op 17 mei 2002 heeft de belanghebbende op de wijze als bedoeld in artikel 27d van de Algemene wet rijksbelastingen verzocht vorenbedoelde uitspraak te vervangen door een schriftelijke.

1.7 De griffier heeft de belanghebbende bij aangetekend schrijven, ter post bezorgd op 23 mei 2002, gewezen op het verschuldigde griffierecht en de belanghebbende heeft vervolgens op 18 juni 2002 dat griffierecht voldaan.

1.8 Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.1 De belanghebbende, geboren op 1 november 1936, is sinds 1971 eigenaar van de woning gelegen aan de a-laan 26 te Z (: de woning). Deze woning stond hem het gehele onderhavige jaar anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking. De WOZ-waarde van de woning bedroeg voor het jaar 1999

ƒ 248.000,--. Voor de plaats Z gold een ophogingspercentage van 7%. Op de woning rustte in 1999 geen hypothecaire schuld.

2.2 Aan de belanghebbende is - na een thans niet relevante correctie - voor het jaar 1999 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 113.644,--. In zijn bezwaarschrift heeft de belanghebbende aangegeven dat het huurwaardeforfait ad ƒ 3.310,-- - in afwijking van zijn aangifte - in het geheel niet in aanmerking dient te worden genomen. Bij de bestreden uitspraak is de aanslag gehandhaafd.

3. Het geschil en de standpunten van partijen

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of het huurwaardeforfait als bedoeld in artikel 42a, eerste lid, van de Wet bij het vaststellen van het belastbaar inkomen in aanmerking dient te worden genomen.

3.2 De belanghebbende betoogt dat, nu zijn woning hypotheekvrij is, het huurwaardeforfait buiten beschouwing moet worden gelaten.

3.3 De inspecteur bestrijdt belanghebbendes standpunt.

3.4 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Ter zitting zijn daaraan geen argumenten toegevoegd.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1 Naar luid van artikel 42a, eerste lid, van de Wet wordt - voor zover hier van belang - bij het bepalen van zuivere inkomsten met betrekking tot een eigen woning waarvan zowel de voordelen als de kosten en lasten bestanddelen vormen van het onzuivere inkomen van de belastingplichtige, de huurwaarde, indien de eigen woning de belastingplichtige of de personen die behoren tot zijn huishouden anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat, gesteld op 1,25 percent van de waarde van de woning in het economische verkeer en worden andere voordelen alsmede kosten, lasten en afschrijvingen - andere dan renten van schulden, kosten van geldleningen en periodieke betalingen ingevolge de rechten van erfpacht, opstal of beklemming - niet in aanmerking genomen.

4.2 Gelet op het hiervoor overwogene laten de onder punt 2.1 genoemde feiten geen andere conclusie toe dan dat het huurwaardeforfait in aanmerking dient te worden genomen als zuivere inkomsten met betrekking tot de eigen woning. Belanghebbendes stelling dat, nu op de woning geen hypothecaire schuld (meer) rust, het huurwaardeforfait buiten beschouwing moet worden gelaten, berust op een onjuiste interpretatie van genoemd artikel 42a, eerste lid, van de Wet.

4.3 De inspecteur heeft mitsdien het gelijk aan zijn zijde.

5. De proceskosten

Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Gedaan op 12 juli 2002 door mr. J. Huiskes, raadsheer, lid van de vierde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van de griffier mevr. mr. M. Hiemstra en op die dag in het openbaar uitgesproken en ondertekend door voornoemde raadsheer en door voornoemde griffier.

Op 19 juli 2002 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.