Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AE5788

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
12-07-2002
Datum publicatie
24-07-2002
Zaaknummer
BK 234/00
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 234/00 12 juli 2002

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid ondernemingen van de belastingdienst te Emmen (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de haar opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1996.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Belanghebbende werd voor het jaar 1996 in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen aangeslagen naar een belastbaar inkomen als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964, gelijk deze wet voor het onderhavige jaar gold, (hierna te noemen: de Wet) van ƒ 12.845,--.

1.2 Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 9 februari 2000 de aanslag gehandhaafd

1.3 Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen), hetwelk op 20 maart 2000 is ingekomen en is aangevuld bij de brief, ingekomen ter griffie op 19 april 2000.

1.4 Nadat de inspecteur zijn verweerschrift (met bijlagen) had ingezonden, heeft de belanghebbende haar beroepschrift (nogmaals) aangevuld bij brief, ingekomen op 11 maart 2002. Van deze brief is een afschrift gezonden naar de inspecteur.

1.5 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van het gerechtshof op 15 maart 2002, gehouden te Assen, alwaar de inspecteur aanwezig was. De belanghebbende is - met kennisgeving - niet verschenen.

1.6 Het gerechtshof heeft in deze zaak op 29 maart 2002 in het openbaar mondeling uitspraak gedaan, waarvan het proces-verbaal bij aangetekend schrijven, ter post bezorgd op 12 april 2002, aan partijen is verzonden.

1.7 Bij schrijven ingekomen op 8 mei 2002 heeft belanghebbende op de wijze als bedoeld in artikel 27d van de Algemene wet rijksbelastingen verzocht vorenbedoelde uitspraak te vervangen door een schriftelijke.

1.8 De griffier heeft belanghebbende bij aangetekend schrijven, ter post bezorgd op 15 mei 2002, gewezen op het verschuldigde griffierecht en de belanghebbende heeft vervolgens op 4 juni 2002 dat griffierecht voldaan.

1.9 Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.1 De belanghebbende, geboren op 6 januari 1967, dreef in het onderhavige jaar samen met haar echtgenoot in de vorm van een vennootschap onder firma een snackbar. Deze snackbar was gelegen in het winkelcentrum van een nieuwe woonwijk te L, genaamd "A". De belanghebbende en haar echtgenoot hebben het aanvankelijk gehuurde bedrijfspand in 1997 gekocht.

2.2 In 1994 hebben de belanghebbende en haar echtgenoot - in privé - een bouwperceel gekocht, gelegen op een bedrijventerrein aan de a-wijk W.Z. te Z. Dit bouwperceel had als bestemming woon/werkterrein. In 1994 en 1995 hebben de belanghebbende en haar echtgenoot op dit perceel door B bouwbedrijf B.V. een ruime vrijstaande woning (: de woning) laten bouwen. Deze woning rekende de belanghebbende tot haar privé-vermogen. In 1996 hebben de belanghebbende en haar echtgenoot naast de woning door C Bouw B.V. een losstaande dubbele garage van 70 m2 met een normaal spits toelopend dak laten bouwen. Deze garage is in volledig gelijke stijl als de woning uitgevoerd. Daarnaast is in 1996 een bestrating, zijnde onder meer een (ruime) oprit naar de garage, aangelegd. Zowel de garage als de bestrating zijn ten opzichte van de woning niet disproportioneel van formaat.

2.3 Langs het water waaraan de woning is gelegen, zijn, op rij, meerdere soortgelijke woningen met garage gebouwd. Achter een aantal van deze soortgelijke woningen is een bedrijfshal geplaatst.

2.4 Op 20 oktober 1997 is door een taxateur van de belastingdienst geconstateerd dat de garage werd gebruikt als stalling voor twee auto's, fietsen en dergelijke. Van opslag van goederen ten behoeve van de onderneming was nauwelijks sprake. Op 18 maart 1999 is de garage bekeken door een betreffende aanslagregelaar. Deze heeft waargenomen dat op de zolder van de garage verpakkingsmateriaal en de overtollige inrichting van de snackbar (oude stellingen, lichtbakken en een oud plafond) waren opgeslagen. Tevens bevonden zich op de begane grond van de garage twee diepvriezers, een snijmachine en enkele - niet meer bij de onderneming in gebruik zijnde - oude stellingen en werd in de garage de ondernemingsauto gestald. Daarnaast werd de garage gebruikt voor de stalling van de privé-auto, fietsen, een motorfiets, kleine aanhanger, surfplank, compressor en twee gasflessen. Verder waren een werkbankje en stellingen voor niet-zakelijke opslag in de garage aanwezig.

2.5 Aan de belanghebbende is een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van

ƒ 12.845,--. Daarbij heeft de inspecteur de door de belanghebbende bij haar aangifte gevraagde investeringsaftrek ter zake van de in punt 2.2 bedoelde garage en bestrating niet verleend. Op het bezwaar van de belanghebbend heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak de aanslag gehandhaafd.

3. Het geschil

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of de belanghebbende ter zake van de in 1996 gebouwde garage en aangelegde bestrating recht heeft op investeringsaftrek

3.2 De belanghebbende is van mening dat de garage (door haar overigens aangeduid als bedrijfsloods) en de bestrating aangemerkt kunnen worden als bedrijfsvermogen en dat zij derhalve recht heeft op investeringsaftrek.

3.3 De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de garage en de bestrating behoren tot het privé-vermogen van de belanghebbende, zodat geen recht op investeringsaftrek bestaat.

3.4 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Ter zitting zijn geen nadere gronden aangevoerd.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1 Ingevolge artikel 11 van de Wet wordt, ingeval in een kalenderjaar voor een bedrag van meer dan

ƒ 3.500,--, doch niet meer dan ƒ 527.000,-- in bedrijfsmiddelen wordt geïnvesteerd, op verzoek bij de aangifte van de belastingplichtige een bepaald percentage van het investeringsbedrag ten laste gebracht van de winst over de jaar (investeringsaftrek).

4.2 Te dezen dient primair de vraag te worden beantwoord of de betreffende garage en de bestrating tot het vermogen van belanghebbendes onderneming kunnen worden gerekend.

4.3 Vaststaat dat de garage in volledig gelijke stijl als de woning is uitgevoerd en dat zowel de garage als de bestrating ten opzichte van de - ruime vrijstaande - woning niet disproportioneel van formaat zijn. Daarnaast staat vast dat op de betreffende locatie meerdere soortgelijke woningen met garage zijn gebouwd en dat achter een aantal van deze woningen een bedrijfshal is geplaatst. Gelet op deze vaststaande feiten is het gerechtshof van oordeel dat de betreffende garage en bestrating naar maatschappelijke opvattingen bij de onderhavige woning dermate voor de hand liggende voorzieningen zijn dat sprake is van aanhorigheden van belanghebbendes privé-woning. Het tegendeel heeft de belanghebbende niet aannemelijk gemaakt. Dat belanghebbendes woning is gelegen op een bedrijventerrein maakt voormeld oordeel niet anders.

4.4 Gelet op de in punt 2.4 weergegeven waarnemingen en de omstandigheid dat de inspecteur - naar zijn geloofwaardig te achten ter zitting geuite verklaring - bij de woning geen andere voor privé te gebruiken gebouwen (schuur, berging) heeft waargenomen, is het gerechtshof voorts van oordeel dat de belanghebbende evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat de onderhavige garage en bestrating in het onderhavige jaar en de daarop volgende jaren in betekende mate werden gebruikt voor de bedrijfsuitoefening. In dit oordeel wordt het gerechtshof tevens gesteund door de omstandigheid dat belanghebbendes snackbar niet nabij de woning is gelegen. De belanghebbende heeft noch genoegzaam gemotiveerd gesteld, noch aannemelijk gemaakt dat de snackbar niet over voldoende opslagruimte beschikte, dan wel dat er regelmatig bedrijfsgoederen bij zijn garage werden afgeleverd. Aan het evenbedoelde oordeel doet niet af dat de ondernemingsauto in de garage werd gestald en dat er enig (overbodig geworden) bedrijfsinventaris in de garage werd opgeslagen.

4.5 Hetgeen hiervoor onder de punten 4.3 en 4.4 is overwogen leidt tot het oordeel dat de garage en de bestrating, als behorende tot belanghebbendes privé-woning, naar hun aard en functie in redelijkheid te dezen niet als ondernemingsvermogen kunnen worden gekwalificeerd.

4.6 Nu de garage en de bestrating tot belanghebbendes privé-vermogen dienen te worden gerekend, kan niet worden gezegd dat de belanghebbende ten aanzien van deze vermogensbestanddelen in bedrijfsmiddelen heeft geïnvesteerd. Gelet op het in punt 4.1 overwogene heeft de inspecteur de belanghebbende voor het jaar 1996 terecht de investeringsaftrek ad ƒ 10.545 (in totaal) onthouden. Opgemerkt zij - hetgeen overigens niet in geschil is - dat het bedrag aan overige investeringen (de computerapparatuur) niet uitkomt boven het in artikel 11, eerste lid, van de Wet bedoelde bedrag van

ƒ 3.500,--.

4.7 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de inspecteur het gelijk aan zijn zijde heeft.

5. De proceskosten

Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Gedaan op 12 juli 2002 door mr. H.H.A. Fransen, raadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier mevr. mr. M. Hiemstra en op die dag in het openbaar uitgesproken en ondertekend door voornoemde raadsheer en door voornoemde griffier.

Op 12 juli 2002 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.