Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AE5197

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
10-07-2002
Datum publicatie
11-07-2002
Zaaknummer
rolnummer 0000391
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrest d.d. 10 juli 2002

Rolnummer 0000391

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

de onderlinge waarborgmaatschappij met uitsluiting van aansprakelijkheid De Friesland Zorgverzekeraar U.A.,

gevestigd te Leeuwarden,

appellante in het principaal en geïntimeerde in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: De Friesland,

procureur: mr P.C. Keuning,

tegen

de naamloze vennootschap Delta Lloyd Schadeverzekering N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde in het principaal en appellante in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: Delta Lloyd,

procureur: mr J.V. van Ophem.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis uitgesproken op 2 augustus 2000 door de rechtbank te Leeuwarden.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 30 oktober 2000 is door De Friesland hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van Delta Lloyd tegen de zitting van 8 november 2000.

De conclusie van de dagvaarding in hoger beroep luidt:

"te vernietigen het vonnis van 2 augustus 2000 met rolnummer H 98/688, door de Arrondissementsrechtbank te Leeuwarden tussen partijen gewezen en, opnieuw rechtdoende:

1. geïntimeerde te veroordelen tot betaling aan appellante van fl 17.615,40, vermeerderd met de wettelijke rente over fl 16.208,93 met ingang van 1 mei 1995 en fl 1.406,47 met ingang van de datum van het exploit van dagvaarding in prima;

2. geïntimeerde te veroordelen in de kosten van beide instanties;

3. het ten deze te wijzen arrest, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren."

De Friesland heeft een memorie van grieven genomen.

Bij memorie van antwoord is door Delta Lloyd verweer gevoerd en incidenteel geappelleerd met als conclusie:

"het vonnis van 2 augustus 2000 van de arrondissementsrechtbank te Leeuwarden, gewezen tussen FZ als eiser en DL als gedaagde, te vernietigen en de vorderingen van FZ geheel af te wijzen, althans subsidiair dit vonnis in stand te laten onder aanvulling en verbetering van de gronden zoals aangegeven in het incidenteel appel en het beroep van FZ tegen dit vonnis ongegrond te verklaren, met veroordeling van FZ in de kosten van beide instanties, uitvoerbaar bij voorraad."

Door De Friesland is in het incidenteel appel geantwoord met als conclusie:

"- tot toewijzing van de vordering van Delta Lloyd voor zover zij zich richt op het vernietigen van het vonnis waarvan beroep;

- tot afwijzing van de vorderingen van Delta Lloyd voor zover zij zich richten op afwijzing van de vordering van DFZ;

- met veroordeling van Delta Lloyd in de kosten van beide instanties, uitvoerbaar bij voorraad."

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

De Friesland heeft in het principaal appel vier grieven opgeworpen.

Delta Lloyd heeft in het incidenteel appel eveneens vier grieven opgeworpen.

De beoordeling

In het principaal en het incidenteel appel

1. De grieven in het principaal en het incidenteel appel lenen zich voor een gezamenlijke behandeling, nu zij tezamen meebrengen dat het geschil in volle omvang aan het oordeel van het hof wordt onderworpen.

Met betrekking tot de vaststaande feiten

2. Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 2 (2.1 t/m 2.2) van genoemd vonnis van 2 augustus 2000 is geen grief ontwikkeld, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan.

Met betrekking tot de grieven

3. Kern van het geschil tussen partijen betreft de vraag of de heer [bestuurder van het motorvoertuig] (hierna te noemen: [bestuurder van het motorvoertuig]), de bestuurder van het onderhavige motorvoertuig met aanhangwagen (hierna te noemen: de combinatie), bij het verrichten van de litigieuze verkeersmanoeuvre een onrechtmatige daad heeft gepleegd jegens mevrouw [duopassagiere] (hierna te noemen: [duopassagiere]), duopassagiere van de door haar echtgenoot de heer [bestuurder motorfiets] (hierna te noemen: [bestuurder motorfiets]) bestuurde motorfiets, zodat Delta Lloyd als WAM-verzekeraar van [bestuurder van het motorvoertuig] aansprakelijk is jegens de op grond van art. 83b Ziekenfondswet regresnemende ziektekostenverzekeraar van [duopassagiere], De Friesland. Indien deze vraag bevestigend moet worden beantwoord, is vervolgens aan de orde of [bestuurder motorfiets] 'eigen schuld' heeft in de zin van art. 6:101 BW, die - naar tussen partijen op zich niet in geschil is en als vallend binnen haar risicosfeer - aan [duopassagiere] als zijnde zijn echtgenote zou moeten worden toegerekend, zodat een gedeelte van de schade op grond van genoemd art. 83b Ziekenfondswet jo. art. 6:101 BW voor rekening van De Friesland dient te blijven. Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

4. De litigieuze verkeersmanoeuvre van [bestuurder van het motorvoertuig], hierin bestaande dat hij met zijn combinatie ter hoogte van een aan de rechterzijde van de Hamerenweg gelegen inrit naar perceel nummer 15 - het erf van het bedrijf van [bestuurder van het motorvoertuig] - naar links heeft gereden om vervolgens de bocht naar rechts te maken, is aan te merken als een bijzondere manoeuvre in de zin van art. 54 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna te noemen: RVV 1990). Art. 54 RVV 1990 bepaalt dat bestuurders die een bijzondere manoeuvre uitvoeren het overige verkeer voor moeten laten gaan. Voorts zijn in dit geding van belang art. 3 RVV 1990, waarin is bepaald dat bestuurders verplicht zijn zoveel mogelijk rechts te houden, en art. 62 RVV 1990, dat [bestuurder van het motorvoertuig] verplicht gevolg te geven aan het ter plaatse bestaande verbod over de weg te rijden met een voertuig dat breder is dan 2,2 m. Daarenboven volgt uit de algemene gedragsregel van art. 5 Wegenverkeerswet 1994 (hierna te noemen: WVW 1994) dat bovenbedoelde bijzondere verkeersbeweging in verband met gevaarzetting en hinder voor andere weggebruikers slechts met buitengewone behoedzaamheid mag worden uitgevoerd. Het hof zal hierna beoordelen of [bestuurder van het motorvoertuig] heeft gehandeld in strijd met een of meer van deze wetsartikelen en daarmee en/of anderszins een onrechtmatige daad heeft gepleegd jegens [duopassagiere].

5. Allereerst zal het hof beoordelen of [bestuurder van het motorvoertuig] bij het verrichten van de onderhavige bijzondere verkeersmanoeuvre jegens [duopassagiere] niet de vereiste buitengewone behoedzaamheid in acht heeft genomen en /of in strijd met de wet geen voorrang heeft verleend. Delta Lloyd voert op dit punt het verweer dat, gelet op de Nota van toelichting bij art. 54 RVV 1990 waaruit blijkt dat met 'het overige verkeer' wordt gedoeld op bestuurders die op een normale wijze aan het verkeer deelnemen, [bestuurder motorfiets] en daarmee ook [duopassagiere] buiten het bereik van deze bepaling vielen omdat het rijgedrag van [bestuurder motorfiets] als niet normaal moet worden gekwalificeerd, nu hij in strijd met art. 11 RVV 1990 de combinatie rechts inhaalde. Het hof overweegt omtrent dit verweer het volgende.

5.1. De omstandigheid dat [bestuurder motorfiets] mogelijk de bovenbedoelde overtreding heeft begaan staat naar het oordeel van het hof niet aan de toepasselijkheid van art. 54 RVV 1990 in de weg. Niet gezegd kan worden dat het rijgedrag van [bestuurder motorfiets] zó uitzonderlijk was dat hij daarmee geacht wordt niet 'op een normale manier' aan het verkeer te hebben deelgenomen, daargelaten of dit als bestanddeel van genoemd artikel dient te worden aangemerkt. Wél kan genoemde omstandigheid de eventuele aansprakelijkheid van Delta Lloyd als WAM-verzekeraar van [bestuurder van het motorvoertuig] mogelijk gedeeltelijk opheffen wegens, gelet op het onder 3 overwogene, aan [duopassagiere] en daarmee aan De Friesland toe te rekenen eigen schuld van [bestuurder motorfiets], aangezien de toepasselijkheid van art. 54 RVV 1990 evenmin de toepasselijkheid van art. 11 RVV 1990 uitsluit (zie hieronder).

5.2. Uit het bovenstaande vloeit voort dat [bestuurder van het motorvoertuig], nu hij een bijzondere manoeuvre uitvoerde, [bestuurder motorfiets] op grond van art. 54 RVV 1990 voor had moeten laten gaan.

6. Vervolgens is aan de orde de vraag of aan [bestuurder van het motorvoertuig] kan worden verweten dat hij [bestuurder motorfiets] niet heeft opgemerkt. Naar het oordeel van het hof dient deze vraag bevestigend te worden beantwoord. Volgens de stelling van Delta Lloyd is [bestuurder motorfiets] voorafgaand aan de onderhavige verkeersmanoeuvre door [bestuurder van het motorvoertuig] opgemerkt toen deze achter hem reed (zie CvD punt 12; MvA punt 17). Hierbij zij overigens opgemerkt dat uit de vlak na het ongeval door [bestuurder van het motorvoertuig] tegen de politie afgelegde verklaring waarvan het proces-verbaal zich bij de stukken bevindt, veeleer is af te leiden dat [bestuurder van het motorvoertuig] [bestuurder motorfiets] niet heeft opgemerkt. Gelet echter op het in de processtukken door Delta Lloyd ingenomen standpunt, hiervoor weergegeven, zal het hof ervan uitgaan dat [bestuurder van het motorvoertuig] [bestuurder motorfiets] wel had opgemerkt. Gelet op deze omstandigheid alsmede op de omstandigheid dat ten tijde van de uitwijk naar links tussen de combinatie en de rechterkant van de weg voldoende ruimte bestond voor [bestuurder motorfiets] om de combinatie rechts te passeren, terwijl deze ruimte ter linkerzijde van de combinatie ten enenmale ontbrak, had [bestuurder van het motorvoertuig] erop bedacht dienen te zijn dat [bestuurder motorfiets] zich rechts van de combinatie zou kunnen bevinden op het moment dat hij de bocht naar rechts maakte. De stelling van Delta Lloyd dat [bestuurder motorfiets] te dicht achter [bestuurder van het motorvoertuig] reed, zodat hij uit het zicht van de spiegels van de combinatie was geraakt, brengt het hof niet tot een ander oordeel. [bestuurder van het motorvoertuig] kan immers worden verondersteld bekend te zijn met de omstandigheid dat een motorfiets bij een te dicht naderen van de combinatie uit het zicht van de spiegels van die combinatie verdwijnt. Een en ander brengt mee, in het bijzonder gelet op de bovenbedoelde door [bestuurder van het motorvoertuig] in acht te nemen buitengewone behoedzaamheid, dat [bestuurder van het motorvoertuig] de manoeuvre naar rechts niet had mogen verrichten zonder zich ervan vergewist te hebben dat dit zonder gevaar en/of hinder voor [bestuurder motorfiets] en [duopassagiere] kon geschieden. Van het ontbreken van verwijtbaarheid is mitsdien geen sprake.

7. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [bestuurder van het motorvoertuig] - door schending van art. 5 WVW 1994 en/of art. 54 RVV 1990 - een toerekenbare onrechtmatige daad jegens [duopassagiere] heeft gepleegd, zodat de overige onder 4 genoemde wetsartikelen onbesproken kunnen blijven. Derhalve is Delta Lloyd als WAM-verzekeraar van [bestuurder van het motorvoertuig] in beginsel aansprakelijk voor de door De Friesland als ziektekostenverzekeraar van [duopassagiere] op basis van art. 83 b Ziekenfondswet gevorderde schade.

8. Ten aanzien van de vraag of de aansprakelijkheid van Delta Lloyd op grond van art. 6:101 BW gedeeltelijk wordt opgeheven wegens, gelet op het onder 3 overwogene, aan [duopassagiere] en daarmee aan De Friesland toe te rekenen eigen schuld van [bestuurder motorfiets] overweegt het hof het volgende. [bestuurder motorfiets] heeft door de combinatie met zijn motorfiets rechts te passeren - als hoedanig zijn gedrag, anders dan De Friesland stelt, kan worden aangemerkt - in strijd gehandeld met het in art. 11 RVV 1990 neergelegde voorschrift om links in te halen. Zoals boven reeds overwogen, sluit de toepasselijkheid van art. 54 RVV 1990 die van art. 11 RVV 1990 immers niet uit.

9. De Friesland stelt dat aan [bestuurder motorfiets] van zijn verkeersfout geen verwijt kan worden gemaakt, nu hij niet heeft opgemerkt dat [bestuurder van het motorvoertuig] een bocht naar rechts wilde maken. Hetgeen partijen op dit punt met name verdeeld houdt is de vraag of [bestuurder van het motorvoertuig] op voor [bestuurder motorfiets] voldoende duidelijke wijze heeft aangegeven dat hij de combinatie naar links bewoog om de bocht naar rechts beter te kunnen maken. De Friesland betwist in dit kader dat [bestuurder van het motorvoertuig] zijn richtingaanwijzer naar rechts heeft aangezet c.q. dat de knipperlichten werkten op het moment van het ongeval c.q. dat de knipperlichten voor [bestuurder motorfiets] zichtbaar waren. Voorts stelt De Friesland in dit verband dat [bestuurder van het motorvoertuig] met de linkerwielen van de combinatie, althans van de aanhangwagen in de linkerberm van de weg heeft gestaan, zodat [bestuurder motorfiets] dacht dat [bestuurder van het motorvoertuig] de combinatie daar wilde parkeren. Tenslotte betwist De Friesland dat voor [bestuurder van het motorvoertuig] de noodzaak bestond om de combinatie naar links te bewegen om aldus het rechts van de weg gelegen erf op te kunnen rijden, zodat [bestuurder motorfiets] niet behoefde te verwachten dat de combinatie na de uitwijk naar links direct weer naar rechts zou sturen.

10. Ten aanzien van het al dan niet aanzetten van de richtingaanwijzer naar rechts overweegt het hof het volgende. [bestuurder van het motorvoertuig] heeft tegenover de politie verklaard (zie productie 1 bij de conclusie van eis in eerste aanleg) dat hij de richtingaanwijzer naar rechts heeft aangedaan. Aan deze verklaring heeft hij toegevoegd dat hij dat automatisch en waarschijnlijk ruim van tevoren heeft gedaan, doch dat hij dat niet meer zeker weet. Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep stelt Delta Lloyd dat de onzekerheid van [bestuurder van het motorvoertuig] slechts het moment van het aanzetten van de richtingaanwijzer betreft en niet het aanzetten op zich. [bestuurder motorfiets] heeft tegenover de politie verklaard dat hij geen richtingaanwijzers heeft gezien (zie de zojuist genoemde productie). De heer [buurman], buurman van [bestuurder van het motorvoertuig] en ooggetuige van het ongeval, heeft tegenover de politie verklaard dat hij, terwijl de combinatie hem passeerde, zag dat de richtingaanwijzer naar rechts duidelijk knipperde (zie dezelfde productie). Door de verklaring van [bestuurder van het motorvoertuig] en in het bijzonder de verklaring van [buurman] is naar het oordeel van het hof genoegzaam komen vast te staan dat [bestuurder van het motorvoertuig] zijn richtingaanwijzer naar rechts heeft aangezet alvorens de manoeuvre naar links in te zetten. Nu De Friesland in appel op dit punt volstaan heeft met de stelling dat "weinig relevant is" of [bestuurder van het motorvoertuig] zijn richtingaanwijzer naar rechts heeft gebruikt, ziet het hof, zeker nu een op dit punt toegespitst bewijsaanbod ontbreekt, geen aanleiding haar nog in de gelegenheid te stellen tegenbewijs te leveren.

10.1. De Friesland heeft voorts in eerste aanleg gesteld dat de knipperlichten voor [bestuurder motorfiets] niet te zien waren. Daartoe voert zij aan dat niet vaststaat dat de knipperlichten inderdaad werkten op het moment van het ongeval, dat uit de verklaring van de heer [buurman] niet blijkt of hij de knipperlichten van de trekkende auto of van de aanhangwagen bedoelt en ten slotte dat het ook mogelijk is dat de knipperlichten destijds vervuild waren en onvoldoende duidelijk uitstraalden. Hieromtrent overweegt het hof het volgende.

Door de op 25 februari 1995, de datum van het ongeval, afgelegde verklaring van [bestuurder van het motorvoertuig] tegenover de politie dat hij de richtingaanwijzer "zojuist" nog heeft gecontroleerd en dat deze perfect werkte en de hierboven weergegeven verklaring van de heer [buurman] (zie voor beide verklaringen bovengenoemde productie) is naar het oordeel van het hof genoegzaam komen vast te staan dat de rechterknipperlichten van de combinatie werkten. Nu De Friesland haar stelling dat dit mogelijk niet gold voor de knipperlichten van de aanhangwagen, althans dat deze mogelijk door vervuiling niet goed zichtbaar waren voor [bestuurder motorfiets], op geen enkele wijze nader onderbouwt, en zij deze stelling in hoger beroep bovendien niet herhaalt, gaat het hof aan deze stelling als onvoldoende gemotiveerd voorbij.

10.2. Uit het voorgaande vloeit voort dat naar het oordeel van het hof genoegzaam is komen vast te staan dat [bestuurder van het motorvoertuig] de rechter knipperlichten van de combinatie heeft aangezet alvorens de manoeuvre naar links in te zetten en voorts dat deze knipperlichten op dat moment werkten en voor [bestuurder motorfiets] zichtbaar waren.

11. Thans is de vraag aan de orde of [bestuurder motorfiets], mede gelet op het gebruik van de rechter knipperlichten door [bestuurder van het motorvoertuig], had moeten begrijpen dat [bestuurder van het motorvoertuig] een bocht naar rechts zou gaan maken.

11.1. In hoger beroep stelt De Friesland - voor het eerst - dat [bestuurder motorfiets] een eventueel door [bestuurder van het motorvoertuig] gebruikt hebben van de richtingaanwijzers zou hebben mogen opvatten als een teken dat deze aan de (linker)wegzijde ging stoppen. Aan deze stelling gaat het hof als niet relevant voorbij, nu uit de stukken van het geding in eerste aanleg - met name de bovengenoemde verklaring van [bestuurder motorfiets] tegenover de politie - blijkt dat [bestuurder motorfiets] geen knipperlichten heeft gezien, nog daargelaten dat uit het gebruik van de rechter knipperlichten niet valt af te leiden dat de combinatie aan de linkerzijde van de weg wilde gaan stoppen.

11.2. Voorts heeft De Friesland aangevoerd dat [bestuurder motorfiets] uit het feit dat [bestuurder van het motorvoertuig] naar links afweek, redelijkerwijs mocht afleiden dat [bestuurder motorfiets] niet naar rechts het erf zou oprijden. Het hof overweegt hierover het volgende.

In de stellingen van De Friesland, met name zoals weergegeven in de toelichting bij grief I, ligt besloten dat bij [bestuurder motorfiets] sprake was van onzekerheid over hetgeen [bestuurder van het motorvoertuig] precies van plan was, gelet op enerzijds zijn uitwijk naar links en anderzijds, in de woorden van De Friesland, "het ontbreken van een verkeersnoodzaak voor die manoeuvre". Hierbij dient het hof, zoals volgt uit rechtsoverweging 10.2, uit te gaan van het - voor [bestuurder motorfiets] zichtbaar - in werking hebben van de rechter knipperlichten van [bestuurder van het motorvoertuig].

Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat aan [bestuurder motorfiets] kan worden verweten dat hij de combinatie - in strijd met art. 11 RVV 1990 - rechts is gaan inhalen. Juist nu er, zoals De Friesland het formuleert, sprake was van "een verwarrende situatie", was er immers aanleiding voor [bestuurder motorfiets] om af te wachten wat [bestuurder van het motorvoertuig] precies van plan was. Hierbij zij nog aangetekend dat niet gesteld of gebleken is dat [bestuurder motorfiets] zijn snelheid niet meer kon matigen dan wel anderszins genoodzaakt was om rechts in te halen.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het hof De Friesland niet volgt in haar betoog dat erop neerkomt dat, nu "de basis voor het ongeval ligt in de foute manoeuvre van [bestuurder van het motorvoertuig]", aan [bestuurder motorfiets] geen verwijt van zijn verkeersfout valt te maken.

12. De conclusie uit het voorgaande luidt dat het hof van oordeel is dat [bestuurder motorfiets] op toerekenbare wijze - als bedoeld in art. 6:101 BW - aan het ontstaan van het ongeval heeft bijgedragen. Nu de stellingen van De Friesland niet tot een ander oordeel kunnen leiden, dient haar - overigens slechts in algemene termen vervatte - bewijsaanbod te worden gepasseerd.

13. Het hof waardeert de mate waarin de wederzijdse gedragingen van [bestuurder van het motorvoertuig] en [bestuurder motorfiets] aan het ontstaan van de schade van [duopassagiere] hebben bijgedragen, evenals de rechtbank in het vonnis waarvan beroep, op een verhouding van 50:50. Nu de 'eigen schuld' van [bestuurder motorfiets], gelet op het onder 3 overwogene, dient te worden toegerekend aan [duopassagiere], dient op grond van art. 6:101 BW jo. art. 83b Ziekenfondswet 50 % van de door De Friesland gevorderde schade ad fl 16.208,93 voor rekening van De Friesland te blijven. Derhalve is van genoemd bedrag een bedrag van fl 8.104,46 (Euro 3.677,64) toewijsbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 mei 1995 tot aan de dag der algehele voldoening.

14. Het hof gaat er met de rechtbank van uit dat De Friesland buitengerechtelijke incassokosten heeft gemaakt, nu Delta Lloyd tegen dit oordeel geen grief richt, en acht, gelet op bovengenoemde schuldverdeling, de door de rechtbank toegepaste matiging daarvan tot een bedrag van fl 1.200,- (Euro 544,54) juist. Derhalve is genoemd bedrag toewijsbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 juli 1998 tot aan de dag der algehele voldoening.

De slotsom

15. Voor zover de grieven in het principaal en het incidenteel appel aansluiten bij het voorgaande treffen zij doel en voor het overige falen zij. Een verdere (afzonderlijke) bespreking daarvan kan achterwege blijven.

16. Het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd. De Friesland zal als de in het principaal appel in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten daarvan. Delta Lloyd zal als de in het incidenteel appel in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten daarvan.

De beslissing

Het gerechtshof:

In het principaal en het incidenteel appel

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

In het principaal appel

veroordeelt De Friesland in de kosten van het principaal appel en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van Delta Lloyd op Euro 288,15 aan verschotten en Euro 544,54 aan salaris voor de procureur, en verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

In het incidenteel appel

veroordeelt Delta Lloyd in de kosten van het incidenteel appel en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van De Friesland op nihil aan verschotten en

Euro 272,27 aan salaris voor de procureur, en verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs. Knijp, voorzitter, Bax-Stegenga en De Bock, raden, en uitgesproken door mr Mollema, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Haites-Verbeek als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 10 juli 2002.