Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AE4693

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
26-06-2002
Datum publicatie
27-06-2002
Zaaknummer
Rolnummer 9900052
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrest d.d. 26 juni 2002

Rolnummer 9900052

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

de gezamenlijke erfgenamen van [erflater] ten deze vertegenwoordigd door [vertegenwoordigster],

wonende te [woonplaats],

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: appellanten,

procureur: mr H.C.J. Laagland,

tegen

de gemeente Groningen,

gevestigd te Groningen,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: de Gemeente,

procureur: aanvankelijk P.E. Mazel thans mr J.V. van Ophem.

De inhoud van het tussenarrest d.d. 31 oktober 2001 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

Bij voormeld tussenarrest werd aan appellanten een bewijsopdracht verstrekt.

Appellanten hebben daartoe drie getuigen doen horen; de verklaringen van deze getuigen zijn vastgelegd bij proces-verbaal, dat zich in afschrift bij de stukken bevindt. De Gemeente heeft afgezien van contra-enquête

Nadat de zaak weer op de rol was geplaatst hebben beide partijen een memorie na enquête genomen.

Vervolgens hebben partijen de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest.

De verdere beoordeling

1. In rechtsoverweging 5.6 van voormeld tussenarrest heeft het hof ondermeer overwogen, "dat [vertegenwoordigster], gelet op het bepaalde in artikel 3:109 en 3:119 van het Burgerlijk Wetboek, vermoed wordt rechthebbende op deze bankbiljetten te zijn behoudens door appellanten te leveren tegenbewijs."

1.1. Deze artikelen houden een bewijsvermoeden in, dat de houder/bezitter, in dit geval [vertegenwoordigster], kan tegenwerpen aan degeen die pretenteert eigenaar te zijn, in dit geval appellanten.

1.2. Die situatie doet zich hier echter niet voor: [vertegenwoordigster] stelt immers dat zij weliswaar houdster is van de in beslaggenomen bankbiljetten maar dat (de erfgenamen van ) haar moeder (appellanten) daarvan eigenaar zijn.

1.3. In dit geval betreft het derhalve (een) derde(n) (de erfgenamen van [erflater] ) die opheffing vordert/vorderen van een tenlaste van [vertegenwoordigster] door een vierde (de gemeente) gelegd beslag ; daartoe stelt/stellen deze (derde(n) dat niet de beslagene maar de derde(n) eigenaar is/zijn van de inbeslaggenomen bankbiljetten.

1.4. Nu deze cruciale stelling door de gemeente gemotiveerd is betwist rust de bewijslast daarvan, conform de hoofdregel van art. 177 oud Rv. op de stellers, appellanten.

Waar het hof in rechtsoverweging 5.6 van voormeld tussenarrest spreekt van "door appellanten te leveren tegenbewijs" dient derhalve te worden gelezen "door appellanten te leveren bewijs".

Dit wordt overigens ook tot uitdrukking gebracht in het dictum, waarbij appellanten worden toegelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden, waaruit kan blijken dat de op 27 mei 1993 in opdracht van de Gemeente inbeslaggenomen bankbiljetten, die op leveren de geldbedragen van ƒ 46.845,-- (in een AMRO-enveloppe), ƒ 19.000,-- (in een ABN AMRO-enveloppe) en ƒ 19.000,-- (in een vensterenveloppe van de Gemeente) in eigendom toebehoorden aan [erflater].

2. Appellanten hebben als getuigen voorgebracht de dames [getuige 1, zijnde tevens vertegenwoordigster] en [getuige 2], beiden dochters en erfgenamen van [erflater], en voorts de heer [getuige 3], zijnde een zoon van eerstgenoemde getuige.

2.1. Getuige [getuige 1, zijnde tevens vertegenwoordigster] verklaarde ondermeer dat zij de ten processe bedoelde bankbiljetten, die aan haar moeder zouden hebben toebehoord, op respectievelijk 5 juli 1990, 25 februari 1991 en 2 maart 1992 telkens als gemachtigde van haar moeder heeft opgenomen van de rekening die ten name van haar moeder stond; voorts dat zij deze bankbiljetten telkens terstond daarna heeft gedeponeerd in de kluis van deze getuige; tenslotte dat zij daarbij steeds werd vergezeld van haar zuster (de tweede getuige).

De getuige heeft geen verklaring kunnen geven voor het feit dat zij op 2 maart 1992 blijkens het opnameformulier van de bank 19 biljetten van ƒ 1.000,-- en 6 biljetten van ƒ 100,-- heeft opgenomen, terwijl in de kluis zijn aangetroffen 13 biljetten van ƒ 1.000,--, 30 biljetten van ƒ 50,--, 3 biljetten van ƒ 250,--, 31 biljetten van ƒ 100,-- en 26 biljetten van ƒ 25,--.

Evenmin heeft de getuige een duidelijke verklaring kunnen geven voor het feit dat zij de bankbiljetten die zij op 5 juli 1990 heeft opgenomen pas op 17 juli 1990 in de kluis heeft gedeponeerd, terwijl zij aanvankelijk stellig had verklaard dat zij op 5 juli 1990 samen met haar zusje (na de geldopname) de straat was overgestoken en het geld meteen naar haar kluis had gebracht en het daarin had gedeponeerd.

Tenslotte heeft zij geen duidelijke verklaring gegeven voor het feit dat bij de derde opname op 2 maart 1992 ƒ 19.600,-- (19 biljetten van ƒ 1.000,-- en 6 van

ƒ 100,--) is opgenomen, terwijl er door de deurwaarder bij de inbeslagneming slechts 19 biljetten van ƒ 1.000,-- zijn aangetroffen; nader verklaarde de getuige dat het wel mogelijk is dat zij van het door haar opgenomen bedrag van

ƒ 19.600,-- een bedrag van ƒ 600,-- heeft besteed om daar iets van te kopen voor haar moeder.

Een en ander doet twijfelen aan de betrouwbaarheid van deze getuige.

2.2. Getuige [getuige 2] bevestigde dat zij haar zuster [getuige 1, zijnde tevens vertegenwoordigster] telkens had vergezeld wanneer deze de ten processe bedoelde bankbiljetten van de rekening van haar moeder opnam om ze vervolgens in de kluis van [getuige 1, zijnde tevens vertegenwoordigster] te deponeren.

Ook deze getuige heeft geen verklaring kunnen geven voor de in de vorige rechtsoverweging genoemde ongerijmdheden. Ook zij verklaarde:

" Die f. 19.000,-- hebben wij direct naar de kluis gebracht, dus op dezelfde dag waarop wij dat bedrag hebben opgenomen."

2.3. Getuige [getuige 3] heeft uit eigen wetenschap niets terzake dienende kunnen verklaren; hij ontleent zijn wetenschap slechts aan zijn moeder.

3. Nu de appeldagvaarding is uitgebracht voor 1 januari 2002 dient deze zaak te worden beoordeeld volgens het tot die datum geldende procesrecht.

4. Het hof stelt voorop dat ingevolge artikel 213, lid 1, oud Rv. de verklaring van een partijgetuige op wie de bewijslast rust geen bewijs te haren voordele kan opleveren indien geen aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij die partijverklaring voldoende geloofwaardig maken.

In dit geval rust de bewijslast, zoals in rechtsoverweging 1.4 overwogen, op de erfgenamen van [erflater], waaronder de getuigen als genoemd in rechtsoverweging 2.1 en 2.2.

5. Het hof is, zoals gezegd, van oordeel dat de verklaring van [getuige 1, zijnde tevens vertegenwoordigster] niet erg geloofwaardig overkomt en dat hetzelfde geldt voor die van de getuige [getuige 2].

De verklaring van getuige [getuige 3] heeft bewijsrechtelijk geen waarde van betekenis, omdat deze getuige zijn wetenschap aan die van zijn moeder ontleent; afgezien daarvan is die wetenschap niet, althans onvoldoende specifiek.

Voorts stelt het hof vast dat er geen aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijverklaringen alsnog voldoende geloofwaardig maken.

Geoordeeld moet derhalve worden dat appellanten niet zijn geslaagd in het leveren van het hun opgedragen bewijs.

6. Ten overvloede overweegt het hof dat het, zelf indien appellanten niet zouden zijn getroffen door de bewijskracht -beperking van art. 213, lid 1, oud Rv., appellanten niet geslaagd zou hebben geacht in hun bewijslevering omdat het ook in dat geval de verklaringen van de getuigen onvoldoende geloofwaardig en/of consistent en/of specifiek acht.

Slotsom

Bij zijn tussenarrest van 31 oktober 2001 heeft het hof reeds overwogen dat appellanten niet-ontvankelijk zullen worden verklaard in het hoger beroep, voorzover dat is gericht tegen het tussenvonnis van de rechtbank van 13 juni 1997.

Grief I is gegrond; de andere grieven falen.

Het vonnis van 16 oktober 1998 zal worden bekrachtigd.

Appellanten zullen als de (ook) in hoger beroep in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

De beslissing

Het gerechtshof:

Verklaart appellanten niet-ontvankelijk in hun hoger beroep tegen het tussenvonnis van de rechtbank Groningen d.d. 13 juni 1997;

bekrachtigt het eindvonnis van de rechtbank Groningen van 16 oktober 1998, waarvan beroep;

veroordeelt appellanten in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van de Gemeente tot aan deze uitspraak op euro 925,71 aan verschotten en op euro 1996,63 aan salaris voor de procureur.

Aldus gewezen door mrs Mollema, voorzitter Zuidema en Meijeringh, raden

en uitgesproken door mr Mollema, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Haites-Verbeek als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 26 juni 2002.