Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AE4668

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
21-06-2002
Datum publicatie
26-06-2002
Zaaknummer
BK 175/02
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2002, 1056
FutD 2002-1332
V-N 2002/47.6

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 175/02 21 juni 2002

Uitspraak van de voorzieningenrechter van het Gerechtshof te Leeuwarden op na te melden verzoek als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht van de heer X te Z (hierna: verzoeker) tegen de beslissing van het hoofd van de eenheid Particulieren van de belastingdienst te Groningen (: de inspecteur) om geen (negatieve) voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1999 op te leggen.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verzoeker heeft op 31 juli 2000 zijn aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1999 ingediend. Het daarin aangegeven belastbaar inkomen bedraagt ƒ 15.595, -. Verzoeker heeft vervolgens herhaaldelijk het verzoek gedaan aan de inspecteur om aan hem een voorlopige aanslag voor 1999 tot een negatief bedrag op te leggen. De inspecteur heeft daarop aan verzoeker bij brief van 15 december 2000 om informatie over de in zijn aangifte opgenomen aftrekposten gevraagd. Verzoeker heeft geweigerd om deze informatie te verstrekken alvorens aan hem een negatieve voorlopige aanslag voor 1999 zou worden opgelegd. De inspecteur heeft bij brief van 4 januari 2001 aangegeven dat een voorlopige aanslag voor 1999 niet zal worden opgelegd. Verzoeker heeft tegen deze weigering bezwaar gemaakt. Op 12 april 2001 heeft de inspecteur dit bezwaar afgewezen. Op 6 april 2001 heeft de inspecteur de definitieve aanslag voor 1999 opgelegd, waarin niet rekening gehouden is met de in de aangifte opgenomen aftrekposten. De definitieve aanslag leidt tot een teruggave van ƒ 962, -. Tegen deze aanslag heeft verzoeker bezwaar gemaakt, waarop de inspecteur op 5 juli 2001 uitspraak heeft gedaan. Verzoeker is vervolgens op 15 augustus 2001 tegen deze uitspraak in beroep gegaan.

Op 9 januari 2002 komt bij het hof van de zijde van verzoeker een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening binnen (met bijlagen). Dit verzoek wordt gevolgd door een andere motivering (met bijlagen), welke bij het hof op 18 januari 2002 binnenkomt.

Verzoeker heeft op de voet van het bepaalde van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (: Awb) het hof verzocht een voorlopige voorziening te treffen, hierin bestaande dat, naar het hof verzoeker begrijpt, de beslissing van de inspecteur om aan verzoeker geen voorlopige aanslag naar het in de aangifte opgegeven belastbaar inkomen op te leggen wordt vernietigd en dat alsnog aan verzoeker deze negatieve voorlopige aanslag wordt opgelegd. Ter zake van het verzoek heeft de griffier van verzoeker een griffierecht geheven ten bedrage van € 29, -.

Nadat de inspecteur zijn verweerschrift (met bijlagen) heeft ingezonden, heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 28 maart 2002, gehouden te Groningen, alwaar aanwezig waren verzoeker en de inspecteur, bijgestaan door een medewerkster van zijn eenheid. Ter zitting heeft verzoeker zonder bezwaar daartegen van de inspecteur een pleitnota overgelegd. Na de zitting heeft de inspecteur een pleitnota overgelegd. Van alle voormelde en hierna te vermelde stukken heeft de wederpartij een afschrift ontvangen. De mondelinge behandeling is hervat ter zitting van 5 juni 2002 te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren verzoeker en de inspecteur. Opnieuw heeft verzoeker zonder bezwaar daartegen van de inspecteur een pleitnota overgelegd. Deze pleitnota is door hem voorgedragen. Van alle vermelde (en hierna nog te vermelden) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. Beoordeling van het verzoek

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij het hof beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij het hof, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van het hof die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Voor een ontvankelijk verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is de connexiteitseis gesteld, welke wil zeggen dat uitsluitend om een voorlopige voorziening verzocht kan worden, indien in de zaak zelf een bezwaar- of beroepsprocedure loopt. In het onderhavige verzoek wordt gevraagd de beslissing van de inspecteur om aan verzoeker geen voorlopige aanslag naar het in de aangifte opgegeven belastbaar op te leggen -welke beslissing naar de stelling van verzoeker wijst op misbruik van omstandigheden- te vernietigen en alsnog aan verzoeker deze voorlopige aanslag op te leggen. Tegen vorenomschreven weigering staat, gelet op het gesloten systeem van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (: AWR) van voor bezwaar en beroep vatbare beschikkingen, geen bezwaar en beroep open. Tegen de weigering om een voorlopige aanslag op te leggen staat ook geen verzoek tot een voorlopige voorziening open. In verband met het ontbreken van connexiteit kan derhalve in beginsel geen voorlopige voorziening aan verzoeker gegeven worden.

2.3 Ten tijde van de indiening van het verzoek tot een voorlopige voorziening heeft de inspecteur aan verzoeker een definitieve aanslag voor het jaar 1999 opgelegd. Tegen deze aanslag is bezwaar gemaakt. Hetzelfde (essentiële) geschilpunt als bij de weigering van de voorlopige aanslag is hierin aan de orde, namelijk de hoegrootheid van het bedrag van in aanmerking te nemen kosten en in het kader daarvan de weigering van verzoeker om informatie over de in de aangifte 1999 opgenomen aftrekposten te verstrekken. Verzoeker heeft dit ook geweigerd ter zake van bepaalde in de aangiften voor de jaren 1996 tot en met 1998 opgenomen aftrekposten, wat geleid heeft tot beroepsprocedures bij het hof. Deze aftrekposten zijn dezelfde als die in de onderhavige procedure. In voormelde beroepsprocedures heeft het hof nog geen uitspraken gedaan. Alhoewel de processuele mogelijkheden van verzoeker nog niet zijn uitgeput, ziet de president in de aanwezigheid van hetzelfde geschilpunt in de onderhavige procedure als in de inmiddels lopende bezwaarprocedure tegen de definitieve aanslag voor 1999 en de voormelde procedures aanleiding van het in punt 2.2 omschreven beginsel af te wijken en het verzoek van verzoeker ontvankelijk te verklaren, waarbij het hof in aanmerking neemt dat het op de negatieve voorlopige aanslag over 1999 te ontvangen bedrag (circa ƒ 18.000, - tot ƒ 19.000, -) van zodanige omvang is dat geoordeeld moet worden dat van een spoedeisend belang voor verzoeker gelet op zijn financiële situatie sprake is.

2.4 Artikel 47, eerste lid, onder a, van de AWR bepaalt dat ieder is gehouden desgevraagd aan de inspecteur de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn. Door het niet voldoen aan deze verplichting heeft verzoeker de weigering van de inspecteur om aan hem een voorlopige aanslag op te leggen over zich af geroepen. De inspecteur kan, doordat verzoeker inlichtingen aan hem onthoudt, immers niet bepalen of en zo ja, op welk bedrag hij een negatieve voorlopige aanslag moet vaststellen. De inspecteur heeft artikel 23, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling AWR 1994 gehanteerd, waar is opgemerkt dat de inspecteur een voorlopige aanslag oplegt "indien (...) zulks naar zijn mening rechtvaardigt." Met in achtneming van de beginselen van behoorlijk bestuur mag de inspecteur derhalve beslissen geen negatieve voorlopige aanslag op te leggen.

2.5 Verzoeker beroept zich op rechtens te beschermen vertrouwen. Hij stelt daartoe dat hij normaliter enkele maanden na het indienen van de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen een voorlopige aanslag krijgt opgelegd. Het hof is van oordeel dat gelet op artikel 23, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling AWR 1994 voor het in rechte te beschermen vertrouwen meer is vereist dan de enkele omstandigheid dat de door verzoeker ingediende aangiften gedurende een aantal jaren door een negatieve voorlopige aanslag zijn gevolgd. Uit de stukken van het geding valt niet af te leiden dat er, naast het opleggen van een voorlopige aanslag na het indienen van de aangiften, omstandigheden aanwezig waren die bij verzoeker de indruk hebben kunnen wekken dat de inspecteur zich bewust op het standpunt stelde dat aangiften zonder vragen zijnerzijds zouden worden gevolgd door voorlopige aanslagen. In tegendeel: verzoeker had juist kunnen verwachten dat, nu hij heeft geweigerd om informatie over de in zijn aangifte 1996 tot en met 1998 opgenomen aftrekposten te verstrekken en daarin ook volhardt, een negatieve voorlopige aanslag met daarin opgenomen dezelfde aftrekposten als in de aangiften 1996 tot en met 1998, aan hem wordt onthouden.

2.6 Voorts beroept verzoeker zich op het gelijkheidsbeginsel. Een beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt indien verzoeker aannemelijk kan maken dat de inspecteur bij het opleggen van de voorlopige aanslagen een begunstigend beleid heeft gevoerd ten aanzien van belastingplichtigen die in vergelijkbare omstandigheden als hij verkeren, dan wel in een meerderheid van vergelijkbare gevallen een gunstiger standpunt heeft ingenomen. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt, dat aan andere belastingplichtigen, die ook weigeren informatie te verstrekken, wel een voorlopige aanslag is opgelegd. Ook dit beroep baat verzoeker niet.

2.7 Nu van schending van de overige beginselen van behoorlijk bestuur niet gebleken is, brengt al het vorenoverwogene mee dat het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen dient te worden.

3. De proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

4. De beslissing

De president wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Gedaan op 21 juni 2002 door prof. mr. Aardema, vice-president, in tegenwoordigheid van de griffier mr. De Jong-Braaksma en ondertekend door voornoemde president en door voornoemde griffier.

Op 26 juni 2002 afschrift

aangetekend verzonden aan beide

Partijen.

De griffier van het Gerechtshof

te Leeuwarden.