Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AE4475

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
29-05-2002
Datum publicatie
21-06-2002
Zaaknummer
WAHV 01/00268
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2002, 202
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 01/00268

29 mei 2002

CJIB 34373955

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter te Middelburg

van 11 april 2001

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

gevestigd te [plaatsnaam]

voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde] wonende te [plaats]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Middelburg ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Bij brief van 3 oktober 2001 heeft de waarnemend griffier van het gerechtshof aan de advocaat-generaal verzocht nadere informatie over te leggen.

Bij brief van 30 oktober 2001 heeft de advocaat-generaal nadere informatie verstrekt.

De gemachtigde van de betrokkene heeft daarop gereageerd bij brief van 15 november 2001.

Bij brief van 3 januari 2002 heeft de waarnemend griffier van het gerechtshof aan de advocaat-generaal verzocht op de nadere toelichting van de gemachtigde van de betrokkene te reageren.

Bij brief van 5 maart 2002 heeft de advocaat-generaal gereageerd op de nadere toelichting van de gemachtigde van de betrokkene.

Bij brief van 12 maart 2002 is de gemachtigde van de betrokkene in de gelegenheid gesteld hierop te reageren.

Van deze mogelijkheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van f 170,- opgelegd ter zake van "overschrijding van de maximumsnelheid op (auto)wegen bubekom bij wegwerkzaamheden (verkeersbord A1); tot en met 10 km/h", welke gedraging zou zijn verricht op 24 mei 2000 op de Provincialeweg N256 (Zeelandbrug) in de plaats Colijnsplaat in de gemeente Noord-Beveland.

3.2. De betrokkene stelt niet te hard te hebben gereden. Hij voert aan dat niet met zekerheid vastgesteld kan worden, dat de gemeten (gecorrigeerde) snelheid ook de daadwerkelijk gereden snelheid is, nu niet blijkt dat de (radar)apparatuur die bij de vaststelling van de gedraging is gebruikt, ter plaatse geijkt is. Naar de betrokkene stelt is dit wel noodzakelijk, waarbij de betrokkene zich beroept op een rapport van de Centrale Politie Verkeers Commissie - welk rapport hij bij de stukken deels heeft overgelegd - waarin (in paragraaf 3.2.onder c.) onder meer is vermeld, dat het meten met behulp van radarapparatuur op of bij bruggen, staalconstructies e.d. niet is toegestaan, wanneer die een reflecterende invloed op de radarbundel kunnen hebben. Derhalve had de apparatuur ter plaatse moeten zijn geijkt, waaruit de reflecterende invloed van staal/ijzer ter plaatse had kunnen blijken. Nu dat niet is geschied kan niet met zekerheid worden aangenomen dat de gemeten (gecorrigeerde) snelheid ook de daadwerkelijke snelheid betrof.

3.3. Uit een verklaring van het Nederlands Meetinstituut van 19 april 2000 blijkt, dat de bij de vaststelling van de gedraging gebruikte (radar)apparatuur op die datum en gedurende een periode van 12 maanden daarna voldeed aan de bijlage van de Regeling meetmiddelen politie. Naar het oordeel van de advocaat-generaal -die zich daarbij baseert op mondeling verstrekte informatie van het Politie Instituut Verkeer en Milieu- was het niet noodzakelijk daarnaast de apparatuur ter plaatse te ijken, omdat de Zeelandbrug een snelweg is die rust op grote pilaren en geen staalconstructies heeft die een reflecterende invloed op de radarbundel kunnen hebben.

3.4. Het rapport van de Centrale Politie Verkeers Commissie -dat naar het oordeel van de advocaat-generaal intern bindende richtlijnen bevat- stelt in het onderdeel van de paragraaf waarop de betrokkene doelt, dat het meten in de onmiddellijke nabijheid van hoogspanningsleidingen, straalverbindingstorens en radarinstallaties niet is toegestaan, evenmin als het meten op of bij bruggen, staalconstructies e.d. wanneer die een reflecterende invloed op de radarbundel kunnen hebben. De advocaat-generaal heeft gedocumenteerd aangegeven dat van een voormelde situatie ten tijde en ter plaatse hier van belang geen sprake is. Het hof heeft geen aanleiding aan dat standpunt -dat door de betrokkene nadien niet is weersproken- te twijfelen.

3.5. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mrs. Vellinga, Huisman en Van Dijk, in tegenwoordigheid van mr. Bennen als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.