Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AE4420

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
19-06-2002
Datum publicatie
20-06-2002
Zaaknummer
rolnummer 0000101
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2003, 206
VR 2003, 98

Uitspraak

Arrest d.d. 19 juni 2002

Rolnummer 0000101

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant in het principaal en geïntimeerde in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [appellant],

toevoeging, nummer 3CA0084,

procureur: mr J.V. van Ophem,

tegen

1. [geïntimeerde 1],

wonende te [woonplaats],

(voorwaardelijke) toevoeging, nr. 4CU7589,

hierna te noemen: [geïntimeerde 1],

2. [geïntimeerde 2],

wonende te [woonplaats],

(voorwaardelijke) toevoeging, nummer 4CY1161,

hierna te noemen: [geïntimeerde 2],

3. [geïntimeerde 3],

wonende te [woonplaats],

(voorwaardelijke) toevoeging, nr. 4CU7593,

hierna te noemen: [geïntimeerde 3],

4. [geïntimeerde 4],

wonende te [woonplaats],

(voorwaardelijke) toevoeging, nr. 4CU7598,

hierna te noemen: [geïntimeerde 4],

geïntimeerden in het principaal en appellanten in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: eisers,

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden]

procureur: mr R.A. Schütz.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis uitgesproken op 14 december 1999 door de rechtbank te Assen.

Het geding in hoger beroep

Bij exploit van 10 maart 2000 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van [geïntimeerden] tegen de zitting van 22 maart 2000.

[appellant] heeft een memorie van grieven genomen met als conclusie:

"dat het den Hove behage, te vernietigen het vonnis, op 14 december 1999 door de rechtbank Assen (zaaknummer 21560) uitgesproken en, opnieuw rechtdoende en uitvoerbaar bij voorraad de door geïntimeerden ingestelde oorspronkelijke vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard, althans deze hen zal worden ontzegd met veroordeling van geïntimeerden, oorspronkelijk eisers, ieder hoofdelijk des de één betaalt de ander zal zijn bevrijd, in de kosten van beide instanties."

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerden] verweer gevoerd en incidenteel geappelleerd met als conclusie:

"dat het Gerechtshof te Leeuwarden behage, bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad voorzover rechtens mogelijk:

I in het principaal appel

de vordering van appellant af te wijzen;

II in het incidenteel appel

de bestreden gedeelten van het vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Assen tussen partijen in conventie gewezen op 14 december 1999 (zaaknummer: 21560), te vernietigen en, opnieuw rechtdoende:

geïntimeerde te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan:

- appellante sub A een bedrag van ƒ 100.00,00 betreffende de immateriële kosten;

- geïntimeerden sub B, C, en D een bedrag te betalen van ƒ 50.000,00 ieder betreffende de immateriële kosten;

- te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van 1 oktober 1995 tot aan de dag der algehele voldoening;

met veroordeling van appellant in principaal appel/geïntimeerde in incidenteel appel te veroordelen in de kosten van de procedures in beide instanties."

[appellant] heeft in het incidenteel appel een memorie van antwoord genomen met als conclusie:

"TEN PRINCIPALE

Tot persistit.

IN HET INCIDENT:

Tot verwerping van het incidenteel beroep van appellanten met veroordeling van hen, oorspronkelijk eisers, ieder hoofdelijk des de één betaalt de ander zal zijn bevrijd, in de kosten van beide instanties."

Voorts hebben [geïntimeerden] in het incidenteel appel een akte genomen, waarop [appellant] bij antwoordakte heeft gereageerd.

Tenslotte hebben [geïntimeerden] de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellant] heeft in het principaal appel zeven grieven opgeworpen.

[geïntimeerden] hebben in het incidenteel appel één grief opgeworpen.

De beoordeling

In het principaal en het incidenteel appel

Met betrekking tot de vaststaande feiten

1. Tegen de weergave van de vaststaande feiten in overweging 2 (2.1 t/m 2.4) van het vonnis waarvan beroep is ingesteld, is noch in het principaal appel noch in het incidenteel appel een grief ontwikkeld, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan.

De grondslag van de vorderingen

2. [geïntimeerden] vorderen van [appellant], kort weergegeven, vergoeding van

1) immateriële schade ter zake van - als gevolg van de traumatische waarneming van het schietincident en van het overlijden van [overledene] opgelopen - psychisch letsel (zogenaamde shockschade) en

2) de kosten van lijkbezorging.

3. De in de vorige rechtsoverweging als eerste genoemde vordering is gebaseerd op artikel 6:162 jo 6:106 lid 1 aanhef en sub b BW; de als tweede genoemde vordering is gebaseerd op artikel 6:108 lid 2 BW. Dit betekent dat in dit geding voor het slagen van de eerste vordering een zelfstandige aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad van [appellant] jegens [geïntimeerden] moet komen vast te staan, terwijl voor het slagen van de tweede vordering de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad van [appellant] jegens [overledene] moet komen vast te staan. Aangezien het antwoord op de vraag of [appellant] al dan niet aansprakelijk is jegens [overledene] mede redengevend is voor het antwoord op de vraag of [appellant] rechtstreeks aansprakelijk is jegens [geïntimeerden], zal het hof de tweede vordering als eerste behandelen.

De kosten van lijkbezorging

4. De grieven in het principaal appel die op de vordering tot vergoeding van de kosten van lijkbezorging betrekking hebben (memorie van grieven sub 4, 5 en 6), lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.

5. Uitgaande van het door [appellant] begane strafbare feit, te weten doodslag, is [appellant] in beginsel jegens [overledene] aansprakelijk op grond van een onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW). [appellant] voert tegen deze aansprakelijkheid twee verweren, te weten de - de onrechtmatigheid opheffende - rechtvaardigingsgrond noodweer (artikel 6:162 lid 2 BW) en de - de toerekenbaarheid opheffende - schulduitsluitingsgrond noodweerexces (artikel 6:162 lid 3 BW). Hierbij tekent het hof aan dat artikel 188 Rv. slechts dwingend bewijs toekent ter zake van de strafbare feiten - waarvan in dit geding met name de doodslag door [appellant] van [overledene] relevant is - die het gerechtshof te Amsterdam in zijn arrest d.d. 2 augustus 1996 (productie C bij de conclusie van eis in eerste aanleg van [geïntimeerden]) - waarvan niet gesteld of gebleken is dat daarvan cassatieberoep is ingesteld - bewezen heeft verklaard; dit dwingend bewijs komt niet toe aan de afwijzende beslissingen van genoemd hof op het beroep door [appellant] op noodweer respectievelijk noodweerexces.

6. Ten aanzien van het beroep op noodweer overweegt het hof als volgt. Van noodweer is sprake indien iemands handelen is geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding (vgl. artikel 41 lid 1 Wetboek van Strafrecht). In het onderhavige geval is de vuistslag van [overledene] weliswaar aan te merken als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van [appellant], doch het daaropvolgende door [appellant] met een pistool neerschieten van [overledene] was buiten elke proportie, zodat van een door het handelen van [appellant] geboden noodzakelijke verdediging niet kan worden gesproken. Het beroep op noodweer als omstandigheid die de onrechtmatigheid van de gedraging van [appellant] wegneemt, dient derhalve te worden verworpen, zodat het handelen van [appellant] is te kwalificeren als onrechtmatig.

7. Ten aanzien van het beroep op noodweerexces overweegt het hof het volgende. Van noodweerexces dat als schulduitsluitingsgrond aan de vestiging van aansprakelijkheid in de weg staat, is sprake indien bovenbedoelde overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige, door bovenbedoelde aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging (vgl. artikel 41 lid 2 Wetboek van Strafrecht). De omstandigheid dat [appellant] reeds vóór het ontstaan van het onderhavige incident had besloten een pistool bij zich te dragen, vormt naar het oordeel van het hof een belangrijke grond voor het oordeel dat de overschrijding van bovenbedoelde grenzen niet het onmiddellijk gevolg is geweest van een door de aanranding veroorzaakte, hevige gemoedsbeweging die ertoe leidt dat aan [appellant] niet kan worden verweten dat hij de onrechtmatige daad beging. Ook hetgeen overigens door [appellant] is gesteld c.q. aangedragen (zoals hetgeen is vermeld in de conclusie van antwoord in prima punt 18 jo. 8 en 9), brengt het hof niet tot het oordeel dat in het onderhavige geval aan de voorwaarden voor een geslaagd beroep op noodweerexces is voldaan. Met name blijkt dit naar het oordeel van het hof niet uit het door [appellant] op dit punt ingeroepen rapport van de heer [reclasseringsmedewerker], reclasseringsmedewerker (zie productie 2 bij de akte overlegging producties in eerste aanleg van [appellant]). De in dit rapport opgenomen constatering dat [appellant] niet iemand is die zelf conflicten opzocht, kan niet leiden tot de conclusie dat in het onderhavige geval sprake was van noodweerexces. Overigens blijkt uit het rapport van de psychiater J.M.J.F. Offermans (zie dezelfde productie, p. 5) dat naar diens oordeel, daar waar [appellant] aangeeft dat hij haast nooit ruzie maakt en dat hij weggaat als anderen het proberen, dit tegen de achtergrond van het onderhavige feit "weinig geloofwaardig en wrang overkomt".

Het beroep op noodweerexces dient derhalve te worden verworpen, zodat - nu uit het zojuist genoemde rapport van de psychiater evenmin blijkt van gehele of gedeeltelijke ontoerekeningsvatbaarheid van [appellant], nog daargelaten thans het bepaalde in art. 6:165 BW - de onrechtmatige daad aan hem dient te worden toegerekend.

8. [appellant] beroept zich tevens op 'eigen schuld' van [overledene] (artikel 6:101 BW). Het hof zal in dit kader beoordelen of en zo ja, in hoeverre het overlijden van [overledene] mede een gevolg is van een omstandigheid die aan hemzelf kan worden toegerekend en voorts welke consequenties een en ander dient te hebben voor de omvang van de schadevergoedingsplicht.

9. Het hof is van oordeel dat het toebrengen van een vuistslag door [overledene] in het gezicht van [appellant] medeoorzaak is geweest van de escalatie van de ruzie tussen hen, resulterende in het overlijden van [overledene]. Nu echter enerzijds deze vuistslag een reactie is geweest op het provocerende, agressieve gedrag van [appellant], terwijl anderzijds de reactie van [appellant] op de vuistslag, zoals boven overwogen, buitenproportioneel is geweest, brengt naar het oordeel van het hof de billijkheid wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten en de overige omstandigheden van het geval mee dat de vergoedingsplicht van [appellant] geheel in stand dient te blijven.

10. Het bovenoverwogene brengt mee dat [appellant] op grond van artikel 6:108 lid 1 jo. lid 2 BW jegens [geïntimeerden] verplicht is "aan degene te wiens laste de kosten van lijkbezorging zijn gekomen, deze kosten te vergoeden, voor zover zij in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene", terwijl de omvang van deze vergoedingsverplicht niet - op de voet van het derde lid van dit artikel - wordt verminderd wegens eigen schuld van [overledene]. Het in eerste aanleg door [appellant] gevoerde verweer dat de door hem bij de doodslag geschonden norm in beginsel niet strekt tot bescherming van de schade bestaande in de kosten van lijkbezorging snijdt geen hout, aangezien artikel 6:108 BW geen zelfstandige aansprakelijkheid van [appellant] jegens [geïntimeerden] vereist, terwijl genoemd artikel reeds leidt tot aansprakelijkheid van de dader jegens de nabestaanden indien hij jegens de overledene aansprakelijk zou zijn geweest, welk laatste geval zich hier voordoet.

11. De door [geïntimeerden] ter zake opgevoerde kosten ad f 44.900,- zijn door de rechtbank toegewezen tot een bedrag van f 15.500,-. [geïntimeerden] hebben te kennen gegeven dat zij om hen moverende redenen van deze beslissing op dit punt niet in hoger beroep gaan. [appellant] voert het verweer dat de opgevoerde kosten niet in overeenstemming met de omstandigheden van [overledene] zijn, aangezien zij als zijnde buitensporig de redelijkheid overstijgen. Bovendien betwist hij dat alle opgevoerde kosten zijn aan te merken als kosten van lijkbezorging, nu niet is aangetoond dat [overledene] in Marokko is begraven c.q. [geïntimeerden] de door hen opgevoerde kosten hebben gemaakt in het kader van de lijkbezorging van [overledene]. Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

12. Het gaat in hoger beroep nog om de volgende posten:

- 5 vliegtickets Amsterdam/Marokko v.v. ad totaal f 4.000,-;

- transportkosten in Marokko ad f 1.500,-;

- kosten uitvaart in Marokko ad f 5.000,-;

- kosten verzorging grafwerk ad f 2.000,-;

- rituele kleding ad f 3.000,-.

12.1. [appellant] betwist dat [geïntimeerden] de vliegtickets hebben aangewend om hen naar Marokko te vervoeren c.q. voor henzelf hebben betaald en gedragen. Het hof acht deze betwisting slechts terecht ten aanzien van het ticket op naam van [tante van overledene], een zuster van de vader van [overledene], nu niet is gesteld of gebleken dat de kosten daarvan voor rekening van [geïntimeerden] zijn gekomen, terwijl het hof geen gronden aanwezig acht om deze kosten binnen het bereik van artikel 6:108 lid 2 BW te brengen. Voor het overige is het hof van oordeel dat in voldoende mate is komen vast te staan dat [geïntimeerden] de kosten voor de vliegtickets hebben gemaakt en deze tickets hebben aangewend om hen naar Marokko te vervoeren om aldaar [overledene] te begraven. Derhalve acht het hof van deze post een bedrag van - afgerond - f 3.200,- toewijsbaar.

12.2. Ten aanzien van de hierboven als tweede, derde en vierde genoemde posten zijn door [geïntimeerden] geen bewijsstukken overgelegd. Het hof acht het met de rechtbank in toereikende mate aannemelijk dat deze bewijsstukken ook niet zijn verstrekt in Marokko. Nu het hof het - ondanks het ontbreken van bewijsstukken - in voldoende mate, mede in het licht van het ongespecificeerde verweer daartegen van de zijde van [appellant], aannemelijk acht dat deze kosten ad f 8.500,- gemaakt zijn, terwijl deze kosten het hof bovendien niet onredelijk hoog voorkomen, zijn deze tot genoemd bedrag toewijsbaar.

12.3. Het door [geïntimeerden] gevorderde bedrag ad f 7.500,- aan - volgens hun stelling éénmaal te dragen - rituele kleding voor [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] voor de begrafenis van [overledene] is door de rechtbank toegewezen tot een bedrag van

f 3.000,-. Het hof acht het voldoende aannemelijk dat rituele kleding is aangeschaft, doch acht hiervan, mede gelet op de omstandigheden van de overledene, zoals deze blijken uit de in het geding gebrachte stukken, in redelijkheid slechts een bedrag van f 1.500,- toewijsbaar.

12.4. Het hof komt hiermee wat betreft de kosten van lijkbezorging op een toewijsbaar totaalbedrag van f 13.200,-. Nu deze kosten kennelijk ten laste van [geïntimeerde 1] zijn gekomen, zal het hof dit bedrag aan haar toewijzen.

12.5. Uit het voorgaande volgt dat de onder 11 genoemde verweren van [appellant] grotendeels dienen te worden verworpen.

De shockschade

13. De grieven in het principaal appel (memorie van grieven sub 1 t/m 4) en de grief in het incidenteel appel die op de vordering tot vergoeding van shockschade betrekking hebben, lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.

14. De door [geïntimeerden] gevorderde (immateriële) shockschade komt in beginsel op grond van artikel 6:106 lid 1 aanhef en sub b BW ("op andere wijze in zijn persoon is aangetast") voor vergoeding in aanmerking. Anders dan [appellant] betoogt, staat (de exclusieve werking van) artikel 6:108 BW daaraan niet in de weg. Zie HR 22 februari 2002, RvdW 2002, 48. Hiervoor is dan wel vereist dat er sprake is van een (zelfstandige) onrechtmatige daad van [appellant] jegens [geïntimeerden]. Hieromtrent overweegt het hof het volgende.

15. Blijkens voormeld arrest van de Hoge Raad handelt degene die een verkeers- of veiligheidsnorm overtreedt in een geval als het onderhavige niet alleen onrechtmatig jegens degene die dientengevolge is gedood of gekwetst, maar ook jegens degene bij wie door het waarnemen van het ongeval of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen daarvan, een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht waaruit geestelijk letsel voortvloeit, hetgeen zich met name zal kunnen voordoen indien de aldus getroffene in een nauwe affectieve relatie staat tot degene die bij het ongeval is gedood of gewond.

15.1. Naar het oordeel van het hof dient het door [appellant] begane onrechtmatige handelen, het opzettelijk van het leven beroven van [overledene], bij de toepassing van het onderhavige leerstuk op één lijn te worden gesteld met het overtreden van een verkeers- of veiligheidsnorm als genoemd in het arrest van de Hoge Raad.

15.2. Nu [geïntimeerden] bij het schietincident aanwezig waren, zijn zij in ieder geval rechtstreeks en onmiddellijk met de ernstige gevolgen daarvan geconfronteerd, zodat in het midden kan blijven of zij al dan niet ooggetuigen van het incident zijn geweest.

15.3. Blijkens de brief d.d. 10 juni 1998 van mevrouw [psychotherapeute], psychotherapeut, en de heer [maatschappelijk werker], maatschappelijk werker, beiden werkzaam bij het Ambulant Wijkteam van [wijk] (productie E bij de conclusie van eis in eerste aanleg van [geïntimeerden]) is door bovenbedoelde confrontatie bij hen allen ([geïntimeerden]) een posttraumatische stress-stoornis ontstaan, waarvoor zij voor meer dan een jaar intensieve therapie hebben gehad, gericht op traumaverwerking. Blijkens deze brief is [geïntimeerde 1] hiernaast ook depressief geraakt en is er bij haar ook sprake van gestagneerde rouw. Hiermee is naar het oordeel van het hof genoegzaam komen vast te staan dat er bij [geïntimeerden] geestelijk letsel is ontstaan. Aan de blote betwisting daarvan door [appellant] gaat hof als onvoldoende gemotiveerd voorbij.

15.4. [appellant] betwist voorts dat bovenbedoeld letsel is ontstaan als gevolg van de confrontatie met de ernstige gevolgen van het schietincident. Het hof overweegt hieromtrent het volgende. Indien door een als onrechtmatige daad aan te merken gedraging een risico ter zake van het ontstaan van schade in het leven is geroepen en dit risico zich vervolgens verwezenlijkt, is daarmee het causaal verband tussen die gedraging en de aldus ontstane schade in beginsel gegeven en is het aan degene die op grond van die gedraging wordt aangesproken om te stellen en te bewijzen dat die schade ook zonder die gedraging zou zijn ontstaan. Door de onrechtmatige gedraging van [appellant], bestaande uit het opzettelijk doodschieten van [overledene], is een risico op het ontstaan van geestelijk letsel bij [geïntimeerden] in het leven geroepen, welk risico zich vervolgens heeft verwezenlijkt. Derhalve rust op [appellant] de plicht om te stellen en te bewijzen dat dit geestelijk letsel ook zonder het overlijden van [overledene] zou zijn ontstaan. Nu [appellant] daartoe ten enen male onvoldoende gesteld heeft, gaat het hof aan deze betwisting als onvoldoende onderbouwd voorbij. Om dezelfde reden dient het ter zake door [appellant] gedane bewijsaanbod te worden verworpen, nu het hier gaat om een regel van verdeling van bewijslast als bedoeld in artikel 177 (oud) Rv. (thans artikel 150 Rv.), en derhalve niet om tegenbewijs, aan het aanbod waarvan geen nadere eisen behoren te worden gesteld.

15.5. Het door [appellant] ook ten aanzien van de onderhavige vordering gedane beroep op noodweer en noodweerexces, dient op de bovenvermelde gronden te worden verworpen (zie r.o. 5 t/m 7).

15.6. Er is derhalve sprake van een toerekenbare onrechtmatige daad van [appellant] jegens [geïntimeerden] ten gevolge waarvan bij hen geestelijk letsel is ontstaan. Voor de daaruit voortvloeiende schade is [appellant] in beginsel jegens hen aansprakelijk. Ten aanzien van de omvang van deze schadevergoedingsverplichting overweegt het hof het volgende.

16. Naar het oordeel van het hof brengt het hierboven omschreven geestelijk letsel mee dat [geïntimeerden] op andere wijze in hun persoon zijn aangetast in de zin van artikel 6:106 lid 1 aanhef en sub b BW. Aan de betwisting hiervan door [appellant] gaat het hof als onvoldoende gemotiveerd voorbij.

16.1. Bij de vaststelling naar billijkheid van de omvang van de hierdoor door [geïntimeerden] geleden immateriële schade neemt het hof tot uitgangspunt het geestelijk letsel en de daaruit voortvloeiende gevolgen, te weten problemen op het terrein van opleiding en huisvesting zoals omschreven in bovenvermelde brief. Voor zover [appellant] het causaal verband betwist tussen (de confrontatie met) het overlijden van [overledene] en bedoeld geestelijk letsel en de daardoor veroorzaakte problemen, gaat het hof daaraan, gelet op het onder 15.4 overwogene, als onvoldoende onderbouwd voorbij. Wél zal het hof bij de vaststelling van een schadebedrag naar billijkheid schattenderwijs rekening houden met de omstandigheid dat het bovenomschreven geestelijk letsel van [geïntimeerden], alsmede de daaruit voortvloeiende problemen mede zullen zijn veroorzaakt door het verdriet van [geïntimeerden] om het overlijden van [overledene], waarvoor naar de huidige stand van het recht geen recht op schadevergoeding bestaat.

16.2. Dit alles in overweging nemende, alsmede gelet op de aard van de gebeurtenis en de relatie tot [overledene], stelt het hof ten aanzien van [geïntimeerde 1] een bedrag vast van f 20.000,- en ten aanzien van [geïntimeerde 2], [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] ieder een bedrag van f 10.000,-.

17. Voor vermindering van bovengenoemde bedragen op grond van artikel 6:101 BW is geen aanleiding.

17.1. De stelling van [appellant] dat de psychische schade van [geïntimeerden] is te wijten aan hun psychische labiliteit is - thans daargelaten het uitgangspunt: the tortfeasor must take the victim as he finds him, waarin reeds een beperking van de mogelijkheid om een beroep te doen op het leerstuk van artikel 6:101 BW ligt besloten - naar het oordeel van het hof ten enenmale onvoldoende onderbouwd, zodat reeds hierom deze stelling dient te worden gepasseerd.

17.2. Het door [appellant] gedane beroep op eigen schuld van [geïntimeerden], hierin bestaande dat zij [overledene] niet van diens gedragingen hebben weerhouden, dient te worden verworpen. Nu op de bovenvermelde gronden geen sprake is van zodanige eigen schuld van [overledene] dat daardoor ingevolge genoemd artikel 6:101 BW de vergoedingsplicht van [appellant] jegens hem c.q. jegens [geïntimeerden] op grond van artikel 6:108 BW dient te worden verminderd (zie r.o. 9), kan het door [appellant] bedoelde nalaten door [geïntimeerden] - zo dit al aan hen kan worden verweten - in ieder geval geen de schadevergoedingsplicht verminderende eigen schuld opleveren.

17.3. Voor matiging van de hierboven genoemde bedragen op grond van artikel 6:109 BW bieden de stukken evenmin grond.

De wettelijke rente

18. Nu het hier gaat om verbintenissen die voortvloeien uit onrechtmatige daad, ontstaat het verzuim ingevolge artikel 6:83 aanhef en sub b BW zonder ingebrekestelling wanneer deze niet terstond worden nagekomen. Derhalve is voor de ingangsdatum van de wettelijke rente niet bepalend dat [geïntimeerden] [appellant] - volgens zijn stelling - eerst op 30 juli 1998 aansprakelijk zouden hebben gesteld, doch het tijdstip van het ontstaan van de schade, dat het hof ten aanzien van de shockschade zal stellen op de datum van het schietincident, te weten 1 oktober 1995, en ten aanzien van de kosten van lijkbezorging op 5 oktober 1995, nu vaststaat dat op deze datum met (de voorbereiding van) de lijkbezorging een daadwerkelijke aanvang is genomen.

De proceskosten

19. Weliswaar zal het hof slechts een deel van de door [geïntimeerden] gevorderde schade toewijzen, doch nu [appellant] niet alleen de omvang van de schade doch ook zijn aansprakelijkheid heeft betwist, dient hij wat betreft de proceskostenveroordeling desalniettemin te worden beschouwd als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij. Het hof zal, nu het door [geïntimeerden] gevorderde slechts ten dele zal worden toegewezen, hiermede rekening houden door het toepassen van een lager tarief.

De slotsom

20. Het vonnis waarvan beroep dient te worden vernietigd. [appellant] zal worden veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [geïntimeerde 1] een bedrag van f 33.200,- (Euro 15.065,50) en aan [geïntimeerde 2], [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] ieder een bedrag van f 10.000,- (Euro 4.537,80), alle bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente als in het dictum vermeld. [appellant] zal als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.

21. Voor zover de grieven aansluiten bij het voorgaande treffen zij doel; voor het overige falen zij. Een verdere (afzonderlijke) bespreking daarvan kan achterwege blijven.

De beslissing

Het gerechtshof:

In het principaal en het incidenteel appel

vernietigt het vonnis waarvan beroep

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [appellant] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen

- aan [geïntimeerde 1] een bedrag van Euro 15.065,50 (f 33.200,-), te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag van Euro 9.075,60 (f 20.000,-) vanaf 1 oktober 1995 tot aan de dag der algehele voldoening en over het bedrag van Euro 5.989,90 (f 13.200,-) vanaf 5 oktober 1995 tot aan de dag der algehele voldoening;

- aan [geïntimeerde 2], [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] ieder een bedrag van Euro 4.537,80

(f 10.000,- ), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 1995 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in beide instanties en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerden]:

in eerste aanleg op Euro 2.599,81 (f 5.729,24) aan verschotten en Euro 998,32

(f 2.200,-) aan salaris voor de procureur,

in hoger beroep

in het principaal appel op Euro 449,24 (ƒ 990,-) aan verschotten en Euro 998,32

(f 2.200,-) aan salaris voor de procureur;

in het incidenteel appel op Euro nihil aan verschotten en Euro 748,74 (f 1.650,-) aan salaris voor de procureur;

bepaalt dat van voormelde bedragen aan de griffier dient te worden voldaan

Euro 2698,08 (ƒ 5945,79) aan verschotten en Euro 2745,38 (ƒ 6050,02) voor salaris voor de procureur, rekeningnummer: 19.23.25.841 t.n.v. DS 541 arrondissement Leeuwarden, die daarmee zal handelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 57b van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mrs. Knijp, voorzitter, Bax-Stegenga en De Bock, raden, en uitgesproken door mr Bloem, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Haites-Verbeek als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 19 juni 2002.