Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AE4286

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
14-06-2002
Datum publicatie
19-06-2002
Zaaknummer
BK 829/01
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 829/01 14 juni 2002

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, vijfde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van de heer X te Z

(: belanghebbende) tegen de uitspraak van het hoofd van de afdeling financiën van de gemeente Opsterland (: het hoofd), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de ten aanzien van hem genomen beschikking ingevolge de wet waardering onroerende zaken (: de Wet ).

1. Ontstaan en loop van het geding

Ingevolge de Wet heeft het hoofd de waarde met betrekking tot de onroerende zaak a-leane 43 te Z, waarvan belanghebbende eigenaar en gebruiker is, vastgesteld bij beschikking onder nummer 00000, gedateerd 28 februari 2001. Daarbij is de waarde vastgesteld op ƒ 574.000,--. Bij de uitspraak waarvan beroep, gedagtekend 24 september 2001, is deze waarde verlaagd tot een bedrag van ƒ 536.000,--.

Het pro forma beroepschrift (met bijlagen) is op 31 oktober 2001 ter griffie van het hof ingekomen, hetwelk is aangevuld bij schrijven d.d. 20 december 2001. Het hoofd heeft vervolgens op 17 januari 2002 een verweerschrift (met bijlagen) ingezonden.

De mondelinge behandeling in deze zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van 19 maart 2002, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren belanghebbende, bijgestaan door zijn partner, en namens het hoofd de heer A, coördinator cluster belastingen en de heer B, beëdigd makelaar/taxateur. Ter zitting heeft belanghebbende een door hem voorgedragen pleitnota overgelegd, alsmede enkele bijlagen, tegen overlegging waarvan de vertegenwoordigers van het hoofd geen bezwaar hadden. Het hof heeft in deze zaak op 2 april 2002 in het openbaar mondeling uitspraak gedaan, waarvan het proces-verbaal bij aangetekend schrijven, op 15 april 2002, aan partijen is verzonden.

Bij een op 7 mei 2002 ter griffie ingekomen brief heeft belanghebbende verzocht de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Het daartoe verschuldigde griffierecht is op 24 mei 2002 voldaan.

Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

Bij beschikking van 28 februari 2001 is door het hoofd ten aanzien van belanghebbende als eigenaar en/of gebruiker van de onroerende zaak gelegen aan de a-leane 43 te Z (: de onroerende zaak/ de woning) de waarde van die onroerende zaak vastgesteld. De beschikking geldt voor het tijdvak van 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004. De onroerende zaak betreft een in 1920 gebouwde woonboerderij, gelegen op een perceel van ca. 22,30 hectare, welke in december 1996 door belanghebbende is gekocht voor een bedrag van ƒ 440.000,--.

De door het hoofd aan de onroerende zaak toegekende waarde bedraagt per waardepeildatum 1 januari 1999 ƒ 574.000,--. In het kader van de bezwaarprocedure heeft het hoofd deze waarde verlaagd tot een bedrag van ƒ 536.000,--. Ter onderbouwing van deze waarde verwijst het hoofd onder meer naar een in zijn opdracht in januari 2002 uitgevoerde taxatie van de woning door de heer B, beëdigd makelaar en gediplomeerd WOZ-taxateur, werkzaam voor C B.V. te L. In dit rapport wordt de waarde van de onroerende zaak gesteld op voormeld bedrag.

3. Het geschil en de standpunten van partijen.

In geschil is de waarde van de onroerende zaak per prijspeildatum 1 januari 1999.

Belanghebbende is van mening dat de waarde van de onroerende zaak op een te hoog bedrag is vastgesteld. Ter onderbouwing van deze stelling wijst belanghebbende naar de verschillen met de door het hoofd gehanteerde referentieobjecten. Belanghebbende stond in de bezwaarfase een waarde voor van ƒ 507.500, in beroep stelt belanghebbende een waarde van ƒ 500.000,-- redelijk te achten.

Het hoofd is van mening dat de waarde van de woning juist is vastgesteld. Met de verschillen tussen de referentieobjecten en de onroerende zaak van belanghebbende is naar zijn mening in voldoende mate en op juiste wijze rekening gehouden

Voor een meer uitvoerige motivering van de standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken.

Ter zitting hebben partijen hun standpunten gehandhaafd zonder daartoe nadere gronden aan te voeren.

4. De overwegingen omtrent het geschil.

4.1. Zoals blijkt uit het bepaalde in de artikelen 17 en 18 eerste lid van de Wet waardering onroerende zaken (: de Wet) wordt de waarde bepaald op de waarde die per 1 januari 1999 aan de onderwerpelijke onroerende zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle eigendom in gebruik zou kunnen nemen.

4.2. De waarde van de onroerende zaak is aan de hand van de zgn. vergelijkingsmethode bepaald, een methode welke in overeenstemming is met de Waarderingsinstructie van de Wet. De waarde van de onroerende zaak wordt bij deze methode bepaald door vergelijking van het desbetreffende object met objecten waarvan transactieprijzen bekend zijn. Daarbij dient acht te worden geslagen op onder meer het soort object, bouwaard en uitvoering, grootte en grootte van de kavel, ligging, kwaliteit, onderhoud, voorzieningen en dergelijke. Omtrent de in de onderhavige zaak gehanteerde vergelijkingspercelen merkt het hof op dat deze zijn bedoeld om taxatiewaarden met elkaar te vergelijken en dat de verkoop van zodanige vergelijkingspercelen ter bepaling van de vastgestelde waarde kan dienen. Zij zijn een redelijke afspiegeling van de markt ten tijde van de peildatum. Ook de verschillen tussen de vergelijkingsobjecten en de onderhavige woning worden in het taxatierapport aan de orde gesteld en bij de waardevaststelling betrokken. Voorzover belanghebbende zijn grieven baseert op de door hem aangevoerde vergelijkingspercelen overweegt het hof dat deze objecten niet als zodanig kunnen fungeren. Ten aanzien van een van deze objecten erkent belanghebbende in beroep dat een vergelijking -als gevolg van de wijziging van de woning- niet goed mogelijk is, terwijl omtrent de andere door belanghebbende gestelde onroerende zaken het hoofd onbestreden heeft gesteld dat hiervan geen (recente) transactieprijzen bekend zijn.

4.3. Het hoofd, op wie te dezen de bewijslast rust, heeft naar het oordeel van het hof de door hem vastgestelde waarde van

ƒ 536.000,-- aannemelijk gemaakt. De door belanghebbende aangevoerde grieven betreffende de motivering van de uitspraak op het bezwaar, snijden hout, immers uit deze uitspraak kan niet worden opgemaakt op grond waarvan het hoofd besluit de aanvankelijk vastgestelde waarde te verlagen, doch dit oordeel kan niet leiden tot vernietiging van de uitspraak of verlaging van de na bezwaar vastgestelde waarde. Omtrent de verlaging merkt het hoofd in het verweerschrift op dat deze het gevolg was van de in de bezwaarfase opgemerkte foutieve berekening van de inhoud van de woning.

4.4. Nu belanghebbende overigens geen feiten of omstandigheden in het geding heeft gebracht die de waarde vaststelling, dan wel de waarde van de gehanteerde referentiepercelen, krachteloos maken en ook anderszins niet aannemelijk is geworden dat de waarde per de peildatum 1 januari 1999 op een te hoog bedrag is vastgesteld, ziet het gerechtshof geen reden tot verlaging van de door het hoofd vastgestelde waarde. De overige door belanghebbende aangevoerde grieven kunnen evenmin leiden tot vernietiging van de uitspraak of verlaging van de na bezwaar vastgestelde waarde.

5. De conclusie.

Het vorenoverwogene brengt mee dat het hof het beroep ongegrond zal verklaren.

6. De proceskosten.

Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. De beslissing.

Het hof verklaart het beroep ongegrond.

Gedaan op 14 juni 2002 door mr Fransen, raadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier mevrouw mr De Jong en

ondertekend door voornoemde vice-president, zijnde voornoemde griffier buiten staat te ondertekenen.

Op 19 juni 2002 afschrift

aangetekend verzonden aan beide

partijen.

De griffier van het Gerechtshof

te Leeuwarden.