Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AE4143

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
17-06-2002
Datum publicatie
17-06-2002
Zaaknummer
24-000895-00
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOW 2002, 33

Uitspraak

Parketnummer: 24-000895-00

Uitspraak d.d. 17 juni 2002 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Leeuwarden d.d. 24 oktober 2000, in de zaak strekkende tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel tegen:

[veroordeelde],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman,

mr. H.A. de Boer, advocaat te Workum.

1. De beslissing waarvan beroep.

De arrondissementsrechtbank te Leeuwarden heeft bij voormelde uitspraak, op tegenspraak gewezen het door veroordeelde uit de baten van door hem gepleegde strafbare feiten wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op veertienduizendtwaalf gulden en hem de verplichting opgelegd dit bedrag aan de Staat te betalen ter ontneming van dat voordeel, met bevel dat, voor het geval noch volledige betaling, noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, vervangende hechtenis voor de duur van 28 dagen zal worden toegepast.

2. Aanwending van het rechtsmiddel.

De veroordeelde is d.d. 25 oktober 2000 op de voorgeschreven wijze en tijdig van voormelde uitspraak in hoger beroep gekomen.

3. Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft gelet op het onderzoek ter 's hofs terechtzitting van 3 juni 2002 en op het onderzoek in eerste aanleg als voorgeschreven bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering.

4. De beslissing op het hoger beroep.

Het hof komt na opnieuw gehouden onderzoek tot een andere beslissing dan de eerste rechter in de uitspraak, waarvan beroep. Daarom wordt de uitspraak vernietigd en wordt opnieuw rechtgedaan.

5. De vordering van het openbaar ministerie.

De schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot ontneming van het door de veroordeelde verkregen voordeel door middel van of uit de baten van een of meer van de bij dagvaarding onder parketnummer 17/080032-00 telastegelegde feiten. Voormelde vordering strekt ertoe dat het te ontnemen voordeel wordt geschat op en dat de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van maximaal fl. 19.735,--. De advocaat-generaal heeft ter 's hofs terechtzitting de vordering gewijzigd, in dier voege dat thans wordt gevorderd dat veroordeelde ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van fl. 18.789,20 (8.526,17 euro) met bevel dat, voor het geval noch volledige betaling, noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast.

6. De feiten, waarop de beslissing tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wordt gebaseerd.

Bij arrest van dit hof d.d. 17 juni 2002 is veroordeelde veroordeeld terzake van - voor zover in dit verband van belang - het in de periode van 1 december 1999 tot en met 15 februari 2000 medeplegen van de verkoop en aflevering van heroïne en het in de periode van 5 maart 1995 tot en met 15 februari 2000 een gewoonte maken van opzetheling.

7. De vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat.

Naar het oordeel van het hof heeft de veroordeelde door middel van en/of uit de baten van de hiervoor sub 6. genoemde strafbare feiten een wederrechtelijk voordeel verkregen.

8. Het bewijs.

Het hof baseert de schatting van het door middel van of uit de baten van de onder 6 vermelde strafbare feiten wederrechtelijk verkregen voordeel op de navolgende bewijsmiddelen.

Ten aanzien van de handel in verdovende middelen

8.1.1 Een voor kopie conform het origineel gewaarmerkt proces-verbaal, nr. 2000007622-20, d.d. 15 februari 2000 op ambtseed opgemaakt door S.C. van Smeden, hoofdagent van politie, Team Drachten Oost en H.M. Vos, brigadier van politie, Eenheid Criminaliteitsbeheersing, inlegvel 184 van een dossier, nr. 2000007622-2-B, inhoudende - zakelijk weergegeven -,

als verklaring van [betrokkene 1]:

Ik ben vanmiddag door de politie aangehouden, omdat ik in harddrugs heb gehandeld. Ik denk dat ik eind december 1999 begonnen ben. Ik verkocht mijn klanten altijd een kwart gram heroïne. Ik verkocht de heroïne voor fl. 25,-- per bolletje. Ik handelde niet voor eigen rekening, maar verkocht voor een ander. Ik gebruik ongeveer 0,5 gram per dag.

8.1.2 Een voor kopie conform het origineel gewaarmerkt proces-verbaal, nr. 2000007622-33, d.d. 17 februari 2000 op ambtseed opgemaakt door O.W. Dijk, hoofdagent van politie, Team Drachten Noord, inlegvel 190 van het onder 8.1.1 genoemde dossier, inhoudende - zakelijk weergegeven -,

als verklaring van [betrokkene 1]:

Vanaf eind 1999 werden de drugs nagenoeg wekelijks ingekocht. Het was vrijwel altijd een hoeveelheid van 15 tot 20 gram. Die 15 tot 20 gram deed ik in kleine porties van een kwart gram.

8.1.3 Een schriftelijk stuk, te weten een kopie van een proces-verbaal, nr. 2000014948-11, d.d. 22 februari 2002 op ambtsbelofte opgemaakt door J. Coehoorn, hoofdagent van politie, Team Drachten Noord, inlegvellen 202 en 203 van het onder 8.1.1 genoemde dossier, inhoudende - zakelijk weergegeven -,

als verklaring van [betrokkene 2]:

[betrokkene 1] verkoopt drugs voor [veroordeelde]. In de kerst van 1999 heb ik eens drugs gekocht van [veroordeelde] zelf.

8.2.1 De verklaring van [veroordeelde], afgelegd ter 's hofs terechtzitting, inhoudende - zakelijk weergegeven -:

Ik heb in 1995 een caravan, merk Hobby, gekocht, waarvoor ik fl. 4.000,-- heb betaald. Ik kocht de caravan op de automarkt te Nuis. Deze caravan is inbeslaggenomen.

8.2.2 Een proces-verbaal "Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel [veroordeelde]", nr. 2000007622-2, d.d. 6 juni 2000 op ambtseed opgemaakt door H. Bruinsma, hoofdagent van politie, Eenheid Criminaliteitsbeheersing, Politie Regio Friesland, inlegvel 3, inhoudende - zakelijk weergegeven -,

als relaas van verbalisant:

Tijdens de doorzoeking van het woonwagenkamp waar [veroordeelde] verblijft, is een caravan van het merk Hobby, type C 425 T aangetroffen. De caravan heeft als bouwjaar 1993 en heeft volgens de ANWB-koerslijst een nieuwwaarde van fl. 20.000,--. Volgens de ANWB-koerslijst zou deze caravan in 1995 fl. 14.000,-- waard zijn geweest bij de particuliere verkoper.

8.3 Gelet op de algemene ervaring in soortgelijke zaken, schat het hof de gemiddelde inkoopprijs van 1 gram heroïne op een bedrag van fl. 35,--.

8.4 Het hof komt op grond van voormelde bewijsmiddelen tot de navolgende berekening.

8.4.1 Ten aanzien van de handel in verdovende middelen

gaat het hof ervan uit dat gedurende een periode van 7 weken 15 gram heroïne per week werd ingekocht en ook weer verkocht, terwijl de verkoopprijs fl. 100,-- per gram heroïne bedroeg.

Verkoop : 105 gram (7 weken maal 15 gram)

Omzet : fl. 10.500,-- (105 gram maal fl. 100,--)

Inkoop : 105 gram (7 weken maal 15 gram)

Inkoopkosten : fl. 3.675,-- (105 gram maal fl. 35,--)

Het hof is van oordeel dat de kosten die [veroordeelde] heeft gemaakt in het kader van de beloning van [betrokkene 1] voor door hem verrichte werkzaamheden, bestaande in het verstrekken van 0,5 gram heroïne per dag, voor aftrek in aanmerking komen. Het hof stelt deze kosten vast op een bedrag van fl. 50,-- per halve gram heroïne.

Kosten t.b.v. [betrokkene 1] : fl. 2.450,-- (0,5 gram per dag gedurende 7 weken à fl. 50,--)

Het hof is ten slotte van oordeel dat de reiskosten die gemaakt zijn in het kader van de inkoop van de heroïne op het vast te stellen bedrag in mindering dienen te worden gebracht. Het hof gaat ervan uit dat de heroïne in Groningen (afstand Drachten-Groningen v.v.: 37 kilometer) is ingekocht en hanteert een kilometervergoeding van fl. 0,70 per kilometer.

Reiskosten : fl. 363,-- (2 maal 37 kilometer maal 7 weken maal fl. 0,70 - afgerond naar boven)

Het wederrechtelijk verkregen voordeel met betrekking tot de handel in verdovende middelen wordt op grond van de bovenstaande berekening geschat op een bedrag van fl. 4.012,--.

8.4.2 Ten aanzien van de heling van de caravan

De raadsman van de veroordeelde heeft aangevoerd dat de waarde die de caravan in 1995 had, niet is komen vast te staan, nu de door de verbalisant genoemde koerslijst van de ANWB zich niet bij de stukken bevindt en de koerslijsten van de ANWB in het algemeen niet als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt.

Het hof is - anders dan de raadsman - van oordeel dat de waarde van de bewuste caravan bij verkoop door een particulier in 1995 genoegzaam is komen vast te staan, nu verbalisant Bruinsma voornoemd in het onder 8.2.2 als bewijsmiddel opgenomen proces-verbaal op ambtseed daarover heeft verklaard. De omstandigheid dat de eerdergenoemde koerslijst van de ANWB zich niet bij de stukken bevindt, doet aan het voorgaande niet af.

De raadsman van de veroordeelde heeft voorts aangevoerd dat de restwaarde van de caravan bij teruggave aan de rechthebbende dient te worden afgetrokken van het door [veroordeelde] wederrechtelijk verkregen voordeel.

Het hof stelt voorop dat ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel het voordeel betreft dat door het aan de ontneming ten grondslag gelegde delict is verworven. Daarbij doet niet ter zake welke bestemming dit voordeel heeft verkregen. Door de geheelde caravan onder zich te houden heeft de veroordeelde het risico van beslaglegging en een voor hem ongunstige beslissing op het beslag genomen. Het in het concrete geval daadwerkelijk door de veroordeelde behaalde voordeel wordt door het zich realiseren van dit risico niet verminderd.

Het wederrechtelijk verkregen voordeel met betrekking tot de heling van de caravan wordt geschat op fl. 10.000,-- (fl. 14.000,-- minus fl. 4.000,--).

8.5 Het door veroordeelde door middel van en/of uit de baten van de onder 6 bedoelde strafbare feiten wederrechtelijk verkregen voordeel wordt op grond van het vorenstaande geschat op een totaalbedrag van fl. 14.012,-- (6.358,37 euro).

9. Oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van een geldbedrag.

Naar 's hofs oordeel kan in beginsel aan de veroordeelde de verplichting tot betaling aan de Staat van voormeld bedrag van fl. 14.012,-- (6.358,37 euro) worden opgelegd. Echter, gelet op veroordeeldes draagkracht nu en in de toekomst, voor zover ter 's hofs terechtzitting gebleken, ziet het hof aanleiding het door veroordeelde te betalen bedrag lager vast te stellen dan voormeld geschat voordeel, en wel op een bedrag van fl. 2.500,-- (1.134,45 euro).

10. Toepassing van wetsartikelen.

Het hof heeft gelet op de artikelen 24d en 36e van het Wetboek van Strafrecht.

11. De uitspraak.

HET HOF,

RECHTDOENDE OP HET HOGER BEROEP:

stelt het bedrag waarop het door veroordeelde [veroordeelde] voornoemd wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van zesduizenddriehonderdachtenvijftig euro en zevenendertig cent;

legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat van duizendeenhonderdvierendertig euro en vijfenveertig cent ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, met bevel voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van vier dagen zal worden toegepast.

Dit arrest is aldus gewezen door mrs. Hermans, voorzitter, Wedzinga en Van Zant, in tegenwoordigheid van mr. Vlietstra als griffier, zijnde mr. Van Zant voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.