Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AE4021

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
12-06-2002
Datum publicatie
12-06-2002
Zaaknummer
Rolnummer 0100255
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrest d.d. 12 juni 2002

Rolnummer 0100255

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [appellant],

toevoeging aangevraagd,

procureur: mr A.H. Lanting,

tegen

Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers (COA),

gevestigd te Rijswijk,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser,

hierna te noemen: COA,

procureur: mr J.V. van Ophem.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het kort geding vonnis uitgesproken op 26 juli 2001 door de voorzieningenrechter van de rechtbank te Groningen.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 8 augustus 2001 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van COA tegen de zitting van 5 september 2001.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"dat het uw Gerechtshof moge behagen het vonnis gewezen door de President van de Arrondissementsrechtbank te Groningen te vernietigen en de vordering in eerste aanleg af te wijzen, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties".

COA heeft ter rolle van 12 december 2001 een incidentele conclusie tot niet-ontvankelijkheid genomen waarvan de conclusie luidt:

"dat het Uw Gerechtshof behage [appellant] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn appel tegen het vonnis van de President van de Arrondissementsrechtbank te Groningen, tussen partijen gewezen op 26 juli 2001 onder zaaknummer 52892/KG ZA 01-229 met veroordeling van appellant in de kosten".

De grieven

[appellant] heeft twee grieven opgeworpen.

De beoordeling

Op het onderhavige appel is het procesrecht van toepassing zoals dat gold tot 1 januari 2002.

In eerste aanleg is [appellant] niet verschenen, zodat het beroepen vonnis bij verstek is gewezen. Krachtens het bepaalde in artikel 335, lid 1 oud Rv (dat op dit punt niet verschilt van het sinds 1 januari 2002 geldende procesrecht) staat voor de gedaagde, tegen wie in eerste aanleg verstek is verleend, geen principaal hoger beroep open. [appellant] had, indien hij zich niet met het vonnis d.d. 26 juni 2001 kon verenigen, verzet tegen dat vonnis dienen in te stellen.

[appellant] kan derhalve niet in zijn hoger beroep worden ontvangen.

De wet kent voor een geval als het onderhavige niet een regeling als neergelegd in artikel 340 oud Rv en het hof heeft evenmin de mogelijkheid de zaak, in de stand waarin deze zich bevindt, te verwijzen naar de rechtbank Groningen.

Slotsom

[appellant] is niet ontvankelijk in zijn appel. Dat brengt mede dat [appellant] de kosten van de procedure in hoger beroep zal hebben te dragen.

De beslissing

Het gerechtshof:

verklaart [appellant] niet ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen het kort geding vonnis van de president van de rechtbank Groningen d.d. 26 juli 2001;

veroordeelt [appellant] in de kosten van deze procedure in hoger beroep en begroot die aan de zijde van COA op Euro 215,55 voor verschotten en op Euro 771,14 aan salaris voor de procureur.

Aldus gewezen door mrs. Mollema, voorzitter, Meijeringh en Verschuur, raden, en uitgesproken door mr Mollema, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van Bilstra als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 12 juni 2002.