Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AE3947

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
07-06-2002
Datum publicatie
12-06-2002
Zaaknummer
BK 812/01
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 812/01 7 juni 2002

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, vijfde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraken van het hoofd van de eenheid particulieren van de belastingdienst te Groningen, vestiging Hoogeveen (hierna: de inspecteur), gedaan op de bezwaarschriften van belanghebbende tegen de hem in het kader van de Huursubsidiewet afgegeven beschikkingen betreffende de vaststelling van het rekenvermogen per 1 januari 1999 en 1 januari 2000.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Bij beschikking d.d. 2 juli 2001 heeft de inspecteur belanghebbendes rekenvermogen per 1 januari 1999 vastgesteld op ƒ 194.823,-- en bij beschikking d.d. 26 juli 2001 heeft de inspecteur belanghebbendes rekenvermogen per 1 januari 2000 vastgesteld op ƒ 200.456,--.

1.2 Op de tijdig ingediende bezwaarschriften van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraken van 10 juli 2001 de beschikkingen gehandhaafd.

1.3 Belanghebbende is tegen deze uitspraken in beroep gekomen bij één beroepschrift (met bijlagen), hetwelk op 26 oktober 2001 ter griffie van het gerechtshof is ingekomen.

1.4 Nadat de inspecteur zijn verweerschriften (met bijlagen) - welke zijn aangevuld bij brief d.d.10 december 2001 - heeft ingezonden, heeft het gerechtshof belanghebbende toegestaan een conclusie van repliek in te zenden. Deze conclusie van repliek is ter 's hofs griffie ingekomen op 7 januari 2002 en hiervan is een afschrift gezonden aan de inspecteur. De inspecteur heeft vervolgens een conclusie van dupliek ingezonden, welke ter 's hofs griffie is ingekomen op 16 januari 2002 en waarvan een afschrift is gezonden aan de gemachtigde van belanghebbende.

1.5 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van het gerechtshof op 15 maart 2002, gehouden te Assen, alwaar aanwezig waren de heer A als gemachtigde van de belanghebbende, alsmede de inspecteur.

1.6 Ter voormelde zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende de door hem ter zitting voorgedragen pleitnota overgelegd.

1.7 Het hof heeft in deze zaak op 29 maart 2002 in het openbaar mondeling uitspraak gedaan, waarvan het proces-verbaal bij aangetekend schrijven, ter post bezorgd op 12 april 2002, aan partijen is verzonden.

1.8 Bij schrijven ingekomen op 13 mei 2002 heeft belanghebbende op de wijze als bedoeld in artikel 17b Warb verzocht vorenbedoelde uitspraak te vervangen door een schriftelijke. De griffier heeft belanghebbende bij aangetekend schrijven, ter post bezorgd op 15 mei 2002, gewezen op het verschuldigde griffierecht en de belanghebbende heeft vervolgens op 21 mei 2002 dat griffierecht voldaan.

1.9 Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.1 Bij notariële akte van 27 december 1989 hebben de belanghebbende, geboren op 2 maart 1919, en diens echtgenote, geboren op 12 augustus 1920, de eigen woning aan de a-laan 4 te L (: de woning) verkocht aan hun drie kinderen, onder voorbehoud van het recht van gebruik en bewoning. Zowel op 1 januari 1999 als op 1 januari 2000 berustte dit recht van gebruik en bewoning nog bij de belanghebbende en diens echtgenote. De WOZ-waarde van de door de belanghebbende en diens echtgenote tot 21 april 2000 bewoonde woning bedroeg per 1 januari 1999 en per 1 januari 2000

ƒ 235.000,--.

2.2 Op 21 april 2000 zijn de belanghebbende en diens echtgenote verhuisd van de in punt 2.1 bedoelde woning naar een aanleunwoning op het adres a-laan 24 te Z.

2.3 Belanghebbendes rentedragende en niet-rentedragende banksaldi bedroegen per 1 januari 1999 in totaal ƒ 82.023,--. Per 1 januari 2000 bedroegen deze banksaldi in totaal ƒ 87.665,--.

2.4 De belanghebbende heeft in zijn aanvraag tot toekenning van huursubsidie als rekenvermogen per 1 januari 1999 slechts het in punt 2.3 vermelde bedrag van ƒ 82.023,-- opgegeven. Als rekenvermogen per 1 januari 2000 heeft hij slechts een bedrag van ƒ 90.000,-- als rentedragende en niet-rentedragende banksaldi aangegeven.

2.5 Bij beschikking d.d. 2 juli 2001 heeft de inspecteur belanghebbendes rekenvermogen per 1 januari 1999 vastgesteld op ƒ 194.823,--. Het rekenvermogen per 1 januari 2000 heeft de inspecteur bij beschikking d.d. 26 juli 2001 vastgesteld op

ƒ 200.456,--, daarbij heeft de inspecteur de door de belanghebbende opgegeven banksaldi per 1 januari 2000 verlaagd met ƒ 2.335,--. Bij beide beschikkingen heeft de inspecteur belanghebbendes opgegeven rekenvermogen verhoogd met 80% van de WOZ-waarde van de in punt 2.1 bedoelde woning in bewoonde staat.

3. Het geschil en de standpunten van partijen

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of de in punt 2.1 bedoelde woning - welke ten behoeve van de belanghebbende en zijn echtgenote belast is met het recht van gebruik en bewoning - bij de vaststelling van belanghebbendes rekenvermogen per 1 januari 1999 en per 1 januari 2000 dient te worden aangemerkt als een bezitting van de belanghebbende.

3.2 De belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend. Hij huldigt de opvatting dat sprake is van een tijdelijk recht van gebruik. Voorts beroept hij zich op het vertrouwensbeginsel.

3.3 De inspecteur bestrijdt belanghebbendes grieven.

3.4 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Partijen hebben ter zitting hun onderscheidene standpunten gehandhaafd, zonder daartoe overigens nadere gronden te hebben aangevoerd.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1 Naar luid van artikel 4 van de Huursubsidiewet wordt onder rekenvermogen verstaan: het gezamenlijk vermogen van de huurder en de medebewoners op de datum van 1 januari die voorafgaat aan het subsidiejaar. Onder vermogen wordt - voor zover hier van belang - verstaan: het vermogen, bedoeld in hoofdstuk II, met uitzondering van artikel 5, van de Wet op de vermogensbelasting 1964 (: de Wet).

4.2 Ingevolge artikel 6 van de Wet worden bezittingen belast met vruchtgebruik of recht van gebruik aangemerkt als bezittingen van de vruchtgebruiker of de gebruiker. Dit geldt niet met betrekking tot bezittingen onderworpen aan een tijdelijk recht van vruchtgebruik of recht van gebruik, behoudens voor zover ten aanzien van de hoofdgerechtigde met betrekking tot de bezitting ingevolge artikel 25b, tweede lid, onderdeel c, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 het eerste lid van dat artikel niet van toepassing is. Onder een tijdelijk recht van vruchtgebruik of recht van gebruik wordt verstaan een recht van vruchtgebruik of een recht van gebruik dat niet uitsluitend eindigt bij overlijden of waarbij de persoon van wiens leven de gerechtigdheid afhankelijk is ten tijde van het ontstaan ervan reeds de leeftijd van 50 jaar heeft bereikt.

4.3 Artikel 25b, tweede lid, onderdeel c van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 bepaalt dat het eerste lid van dat artikel niet van toepassing is voor zover de aldaar bedoelde ander (de tijdelijk gerechtigde) een bloed- of aanverwant in de rechte opgaande lijn van de belastingplichtige is, die de zaak waarop de gerechtigdheid betrekking heeft in eigen gebruik heeft.

4.4 Hoewel gezien de leeftijd van de belanghebbende en zijn echtgenote ten tijde van het ontstaan van het recht van gebruik en bewoning kan worden gezegd dat met betrekking tot de woning sprake is van een tijdelijke recht van gebruik, brengt hetgeen hiervoor is overwogen onder de punten 4.2 en 4.3 met zich mee dat, nu de belanghebbende een bloedverwant in de rechte opgaande lijn is van de bloot eigenaren (belanghebbendes kinderen) en hij de woning zowel per 1 januari 1999 als per 1 januari 2000 zelf bewoonde, de woning per genoemde data niettemin dient te worden aangemerkt als een bezitting van de belanghebbende.

4.5 Het in punt 4.4 overwogene leidt tot het oordeel dat de inspecteur de onderhavige woning bij de vaststelling van belanghebbendes rekenvermogen per 1 januari 1999 en per 1 januari 2000 terecht als bezitting (tegen een waarde van 80% van de woning in bewoonde staat) in aanmerking heeft genomen.

4.6 De belanghebbende beroept zich op het vertrouwensbeginsel door - kort gezegd - te stellen dat een medewerkster van de Woonservice B te M heeft aangeven dat voor de aanvraag van huursubsidie alleen het banksaldo van belang was. Omdat het totaal van de banksaldi op 1 januari 1999 en op 1 januari 2000 de betreffende vermogensgrens niet overschreden, werden - volgens de belanghebbende - de aanvragen positief beoordeeld en werd er maandelijks huursubsidie verstrekt. Nadat de inspecteur op de bezwaarschriften uitspraak had gedaan, heeft de gemachtigde van de belanghebbende de tekst en toelichting bij het door het Ministerie van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (: Ministerie van VROM) uitgegeven aanvraagformulier betreffende de huursubsidie geraadpleegd. Hierin werd, zo de belanghebbende stelt, het recht van gebruik niet genoemd. Daarnaast heeft de belanghebbende omtrent het recht van gebruik van de onderhavige woning informatie ingewonnen bij de afdeling huursubsidie van de gemeente Hoogeveen, bij de helpdesk huursubsidiezaken van het Ministerie van VROM (telefonisch) en via de e-mail bij het Ministerie van VROM. De verkregen informatie gaf de belanghebbende de bevestiging dat de positieve beoordeling van de door hem ingediende aanvragen betreffende de huursubsidie juist was.

4.7 Met betrekking tot belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel overweegt het gerechtshof dat de inspecteur in het kader van de Huursubsidiewet ingevolge artikel 34 van die wet slechts belast is met het onderzoeken van de juistheid van de bij de aanvraag versterkte gegevens inzake het vermogen van de huurder en van de medebewoners. Als de inspecteur vaststelt dat het vermogen van de huurder of van een medebewoner afwijkt van het bij de aanvraag opgegeven vermogen, en dat ten gevolge hiervan de krachtens artikel 15 toepasselijke vermogensgrens zou worden overschreden, stelt hij het rekenvermogen vast bij voor bezwaar vatbare beschikking, en maakt hij deze bekend aan degene aan wie de huursubsidie werd toegekend, en aan Onze Minister van VROM.

4.8 Gesteld noch gebleken is dat door of namens de inspecteur een uitlating, in welke zin dan ook, is gedaan waaraan de belanghebbende het in rechte te beschermen vertrouwen kon ontlenen dat de onderwerpelijke woning bij de vaststelling van het rekenvermogen buiten beschouwing kon worden gelaten. Naar het oordeel van het gerechtshof kan, mede gelet op de hiervoor omschreven beperkte taak van de inspecteur bij de uitvoering van de Huursubsidiewet, met de door de in punt 4.6 genoemde instanties gedane uitlatingen - wat daar overigens ook van zij - in deze procedure, waarin enkel de door de inspecteur afgegeven beschikking aan de orde is, geen rekening worden gehouden. Aan belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel gaat het gerechtshof derhalve voorbij.

4.9 Hetgeen de belanghebbende opmerkt met betrekking tot zijn huursubsidieschuld, kan niet aan het oordeel van de belastingrechter worden onderworpen.

4.10 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de inspecteur het gelijk aan zijn zijde heeft.

5. De proceskosten

Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Gedaan op 7 juni 2002 door mr. H.H.A. Fransen, raadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier mevr. mr. M. Hiemstra en op die dag in het openbaar uitgesproken en ondertekend door voornoemde raadsheer en door voornoemde griffier.

Op 12 juni 2002 afschrift

aangetekend verzonden aan beide

partijen.

De griffier van het Gerechtshof

te Leeuwarden.