Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AE3738

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
05-06-2002
Datum publicatie
06-06-2002
Zaaknummer
rolnummer 9900404
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrest d.d. 5 juni 2002

Rol nummer 9900404

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [appellant],

procureur: mr H.N.M.M. van Wilgenburg,

tegen

de maatschap naar burgerlijk recht [geïntimeerde],

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

procureur: R.S. van der Spek.

De inhoud van het tussenarrest d.d. 19 december 2001 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

[appellant] heeft een akte genomen, onder overlegging van een tweetal producties.

[geïntimeerde] heeft een antwoordakte genomen.

Vervolgens hebben partijen de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest.

De verdere beoordeling

1. [geïntimeerde] heeft aangegeven dat de onderhavige vordering op [appellant] door de maatschap naar burgerlijk recht [geïntimeerde] is gecedeerd aan [besloten vennootschap] Nu niet is gesteld of gebleken dat de voor overgang van de vordering vereiste mededeling aan [appellant] is gedaan, moet het er voor worden gehouden dat de maatschap in deze nog steeds de procespartij is. Het hof tekent daarbij aan dat een dergelijke mededeling niet kan worden vervangen door een erkenning of aanvaarding van de schuldenaar, nog daargelaten dat [appellant], anders dan [geïntimeerde] stelt, in geen enkel processtuk de B.V. als zijn wederpartij heeft aangeduid. Geconstateerd moet derhalve worden dat het hof in de kop van zijn tussenarrest van 19 december 2001 ten onrechte de besloten vennootschap [besloten vennootschap] als geïntimeerde heeft aangeduid. Dat tussenarrest dient derhalve in zoverre te worden verbeterd dat als geïntimeerde heeft te gelden de maatschap naar burgerlijk recht [geïntimeerde].

2. In de conclusie van antwoord in eerste aanleg stelt [appellant] zich op het standpunt dat hij ultimo 1995 ( en derhalve reeds voor 1996 ) opdracht heeft gegeven aan [geïntimeerde], als advocatenkantoor en wel in verband met een vaststellingsovereenkomst.

In de toelichting op grief 1 in de memorie van grieven neemt [appellant] echter het standpunt in dat hij geen overeenkomst met [geïntimeerde] heeft gesloten, doch enkel met de bij [geïntimeerde] werkzame advocaat [advocaat 1].

3. Uit de door [geïntimeerde] bij memorie van antwoord overgelegde producties komt echter duidelijk naar voren dat de bij [geïntimeerde] werkzame registeraccountant [registeraccountant] reeds in november 1995 werkzaamheden voor [appellant] verrichtte (zie de brief of fax van [appellant] aan [registeraccountant] d.d. 27 november 1995 en de faxberichten van [advocaat 2] aan genoemde [registeraccountant] van 14 december 1995 en van 2 januari 1996). Voorts blijkt uit de zich bij die producties bevindende brief d.d. 1 december 1995 van [registeraccountant] aan [appellant] dat [registeraccountant] aan [appellant] een conceptbrief (te richten aan [advocaat 2]) heeft voorgelegd waarin [appellant] aan [advocaat 2] mededeelt dat hij [geïntimeerde] te [vestigingsplaats] heeft verzocht hem juridisch te adviseren in combinatie met de brief d.d. 5 februari 1996 van [advocaat 1] aan [appellant] (in welke brief wordt bevestigd dat [appellant] in zijn hoedanigheid van direkteur en enig aandeelhouder van [B.V. 1 waar appellant bestuurder van is] en voor zichzelve aan [advocaat 1] advies vraagt naar aanleiding van een gerezen conflict met [tegenpartij]) zonneklaar dat ook [advocaat 1] in opdracht van [appellant] werkzaamheden is gaan verrichten. Het hof tekent daarbij aan dat [appellant] niet heeft weersproken dat bedoelde correspondentie ook daadwerkelijk is gevoerd.

4. Dat [appellant] zich tot [geïntimeerde] heeft gewend wordt door hem zelf ook nog eens bevestigd in het faxbericht d.d. 26 maart 1998 Van [appellant] (namens [bedrijf]) aan de Deken van de Orde van advocaten (productie 2b bij de memorie van antwoord).

5. Het hof is op grond van een en ander, in onderling verband en samenhang bezien, van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat [appellant] zich in 1995 tot [geïntimeerde] heeft gewend met het verzoek hem bij te staan en dat die bijstand aanvankelijk werd verleend door [registeraccountant] en naderhand mede door [advocaat 1]. Daarmede is de grondslag van de vordering, zoals deze in hoger beroep nader door [geïntimeerde] is aangegeven (onder 6 van de memorie van antwoord), genoegzaam komen vast te staan.

6. [appellant] heeft niet gesteld dat hem terzake van de door [registeraccountant] verrichte werkzaamheden door [geïntimeerde] een te hoog bedrag is gedeclareerd. Hij heeft evenmin gesteld dat [registeraccountant] in de uitoefening van de door hem verrichte werkzaamheden toerekenbaar is tekortgeschoten en/of dat de declaratie, voorzover betrekking hebbend op de door [registeraccountant] verrichte werkzaamheden op andere gronden niet zou behoeven te worden voldaan.

7. Met betrekking tot het deel van de declaratie dat betrekking heeft op de door [advocaat 1] verrichte werkzaamheden, voert [appellant] nog slechts het verweer dat [advocaat 1] toerekenbaar tekort is geschoten in de uitvoering van de aan hem verstrekte opdracht.

In dat verband verwijt [appellant] [geïntimeerde] met name dat hij niet is gewezen op de mogelijke gevolgen van het niet tijdig (onverkort) aanvaarden van het schikkingsvoorstel van [tegenpartij]. Hem zou zijn voorgehouden dat het schikkingsvoorstel onderhandelbaar was. [geïntimeerde] heeft (bij memorie van antwoord in appel) gemotiveerd weersproken dat zij toerekenbaar tekort is geschoten in de uitvoering van de haar gegeven opdracht. Daarbij heeft zij verwezen naar de door haar overgelegde bijlagen bij de brief aan de Raad van Toezicht d.d. 21 mei 1997. Naar het hof aanneemt doelt [geïntimeerde] daarbij in het bijzonder op de brief van 13 maart 1996 van [advocaat 1] aan [appellant], in welke brief uitgebreid op een en ander is ingegaan. In de brief wordt tevens onderstreept dat de schikkingsonderhandelingen los staan van de voortgang die de wederpartij (lees: [tegenpartij] ) maakt met betrekking tot de executie van de aandelen, zulks op basis van het in kracht van gewijsde gegane arbitrale vonnis. De stellingname van [geïntimeerde] vindt ondersteuning in de bij memorie van antwoord overgelegde correspondentie (zie bijv. de brief van [advocaat 2] aan [registeraccountant] d.d.14 december 1995, waarvan - bij gebrek aan een andersluidende stelling - mag worden aangenomen dat [appellant] daarmee bekend was).

Het hof stelt vast dat [appellant] inhoudelijk niet meer op dit verweer heeft gereageerd en terzake evenmin een bewijsaanbod heeft gedaan. Het hof zal het desbetreffende verweer van [appellant] derhalve passeren. Daarbij zij onderstreept dat een verbintenis uit een overeenkomst als de onderhavige valt te kenmerken als een inspanningsverplichting en niet als een resultaatsverplichting.

8. [appellant] heeft in appel gesteld dat hij slechts voor een derde deel van de declaratie kan worden aangesproken omdat de verstrekte opdracht mede is gegeven namens [B.V. 2 waar appellant bestuurder van is] en [B.V. 1 waar appellant bestuurder van is]

9. In haar reactie op deze nieuwe stelling stelt [geïntimeerde] dat in casu geen sprake is van overeengekomen hoofdelijkheid, maar van een "onbetwistbaar" door [appellant] zelf gegeven opdracht.

Het hof kan [geïntimeerde] in dat betoog niet volgen. In de (bij memorie van antwoord overgelegde) brief van 5 februari 1996 van [advocaat 1] aan "[B.V. 1 waar appellant bestuurder van is] t.a.v. de heer [appellant]" wordt in de eerste alinea aangegeven dat [appellant] zich in zijn hoedanigheid van directeur en enig aandeelhouder van [B.V. 1 waar appellant bestuurder van is] en voor zichzelve om advies heeft gevraagd naar aanleiding van het gerezen conflict met [tegenpartij] Uit deze brief blijkt in ieder geval dat de stelling van [geïntimeerde] dat slechts [appellant] als opdrachtgever heeft te gelden onjuist is. Waar [geïntimeerde] niet (subsidiair) heeft gesteld dat er sprake is van 2 opdrachtgevers, komt het hof tot de conclusie dat de gemotiveerde stelling van [appellant], dat er sprake is van drie opdrachtgevers, onvoldoende gemotiveerd door [geïntimeerde] is weersproken. Het hof wijst er in dat verband op dat de stelling van [appellant] ondersteuning vindt in de (eveneens bij memorie van antwoord overgelegede) concept vaststellingsovereenkomst welke bij brief van 3 november 1995 aan [belangenbehartiger]

( kennelijk de toenmalige belangenbehartiger van [appellant]) is gezonden en waaruit blijkt dat naast [appellant] ook [B.V. 2 waar appellant bestuurder van is] en [B.V. 1 waar appellant bestuurder van is] partij waren in de dienaangaande gevoerde onderhandelingen. Uit de (eveneens bij memorie van grieven overgelegde) brief van [appellant] aan [registeraccountant] d.d. 27 november 1995 blijkt dat [appellant] de hulp van [registeraccountant] inroept i.v.m. deze vaststellingsovereenkomst. Ook de zijdens [appellant] door [advocaat 1] opgestelde en bij brief van 27 februari 1996 (eveneens overgelegd bij memorie van grieven) aan [advocaat 2] gezonden concept vaststellingsovereenkomst, vermeldt naast [appellant] meergenoemde vennootschappen.

10. Daarbij tekent het hof aan dat het in een situatie als de onderhavige op de weg van [geïntimeerde] gelegen om bij het aanvaarden van de opdracht duidelijkheid te verkrijgen over wie als opdrachtgever had te gelden. Eventuele onduidelijkheid dienaangaande komt derhalve voor risico van [geïntimeerde].

11. Het moet er derhalve voor worden gehouden dat [appellant] de opdracht aan [geïntimeerde] mede namens beide genoemde vennootschappen heeft verstrekt, zodat - op basis van de hoofdregel van artikel 6 lid 1 Boek 6 BW - [appellant] slechts voor een derde van de declaratie aansprakelijk is.

12. De grieven zullen derhalve worden verworpen, maar het nieuwe verweer treft doel.

Slotsom

13. Het beroepen vonnis dient deels te worden vernietigd en [appellant] zal, opnieuw rechtdoende, worden veroordeeld tot betaling van Fl 2.225,44 (1009,86 Euro) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 augustus 1996. Waar de beslissing in eerste aanleg op grond van het tot dan door [appellant] gevoerde verweer juist is gewezen, zal het hof [appellant] belasten met de kosten van de procedure in eerste aanleg. In appel zijn partijen over en weer in het (on)gelijk gesteld, zodat het hof ieder der partijen met de eigen kosten van het appel zal belasten.

Beslissing

Het gerechtshof:

verstaat dat in het tussenarrest van dit hof d.d. 19 december 2001 ten onrechte de besloten vennootschap [besloten vennootschap] als wederpartij van [appellant] is aangeduid en verbetert dat arrest in dier voege dat als wederpartij van [appellant] heeft te gelden de maatschap naar burgerlijk recht [geïntimeerde];

vernietigt het vonnis waarvan beroep, behoudens de daarbij uitgesproken kostenveroordeling;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [appellant] tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag groot Euro 1.009,86

(ƒ 2.225,44), te vermeederen met de wettelijke rente vanaf 13 augustus 1996;

belast ieder der partijen met de eigen kosten in hoger beroep;

wijst hetgeen meer of anders is gevorderd af;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs. Mollema, voorzitter, Zuidema en Meijeringh, raden, en uitgesproken door mr Mollema, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van de heer Bilstra als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 5 juni 2002.