Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AE3605

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
31-05-2002
Datum publicatie
05-06-2002
Zaaknummer
BK 363/01
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: 363/01 31 mei 2002

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwar-den, vierde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid particulieren van de belastingdienst te Groningen (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 1999.

1. Ontstaan en loop van het geding

Belanghebbende werd voor het jaar 1999 in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen aangeslagen naar een belastbaar inkomen als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna te noemen: de Wet) van f 2.099,-.

Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 3 april 2001 het bezwaar ongegrond verklaard.

Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen), hetwelk op 11 mei 2001 is ingekomen.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend, de inspecteur een conclusie van dupliek. Belanghebbende heeft bij brief van 26 maart 2002 nog een aantal stukken ingezonden. Vervolgens heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 8 april 2002, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren belanghebbende, alsmede de inspecteur, vergezeld van een collega.

Ter voormelde zitting heeft belanghebbende een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Zonder bezwaar van de wederpartij heeft belanghebbende bij zijn pleitnota een aantal bijlagen overlegd.

Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. Feiten

2.1 Het hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1 Belanghebbende, geboren 30 september 1940, is ongehuwd.

2.2 Belanghebbende heeft over 1999 aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen van f 1.369,-.

2.3 De inspecteur heeft de aanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 2.099,- en naar tariefgroep 2. De belastingvrije som bedroeg f 8.799,-, zodat geen inkomstenbelasting en geen premie volksverzekeringen verschuldigd waren. De in 1999 ingehouden loonheffing ad f 3.598,- en dividendbelasting ad f 312,- zijn aan belanghebbende bij wijze van voorlopige aanslag, dagtekening 14 april 2000, teruggegeven.

Bij de uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of er reden is de aanslag te verlagen.

Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en de inspecteur ontkennend.

3.2 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Partijen hebben ter zitting geen nieuwe argumenten toegevoegd.

3.3 Belanghebbende concludeert tot vermindering van de aanslag.

De inspecteur concludeert tot ongegrond-verklaring van het beroep.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1 Belanghebbende stelt in zijn pleitnota (bladzijde 5 onderaan) dat er geen reden is het belastbare inkomen als aangegeven in de aangifte te verhogen. Dit standpunt komt overeen met het beroepschrift (bladzijde 6 onderaan en 7 bovenaan) en de conclusie van repliek (bladzijde 6 midden). Naar het oordeel van het Hof maakt het voor de aanslag niet uit of het belastbare inkomen alsnog op f 1.369,- zou worden gesteld, zoals in de aangifte is vermeld. Belanghebbende heeft derhalve in zoverre geen belang bij de onderhavige procedure.

4.2 Belanghebbende verwoordt in zijn beroepschrift, conclusie van repliek en pleitnota nog een aantal verzoeken aan het Hof om de belastingdienst aanwijzingen te geven omtrent werkwijze en dergelijke. Het Hof is hiertoe echter niet bevoegd.

4.3 Gelet op het voorgaande dient te worden beslist als hierna te vermelden.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld op 31 mei 2002 door mr. J. Huiskes, raadsheer, lid van de vierde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. Hiemstra en ondertekend door voornoemde raadsheer en door voornoemde griffier, en op die dag in het openbaar uitgesproken.

Op 5 juni 2002 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.