Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AE3140

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
01-05-2002
Datum publicatie
23-05-2002
Zaaknummer
WAHV 01-00507
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 4
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 26
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 26a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 01/00507

1 mei 2002

CJIB 30831974

Gerechtshof te Leeuwarden

Beschikking

op het hoger beroep tegen de beschikking

van de kantonrechter te Utrecht

van 15 augustus 2001

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het verzet van de betrokkene tegen de tenuitvoerlegging van een door de officier van justitie in het arrondissement Leeuwarden op 6 september 2000 uitgevaardigd dwangbevel ongegrond verklaard. De beschikking van de kantonrechter is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beschikking van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal heeft een reactie gegeven op de nadere toelichting op het beroep.

Bij brief van 5 december 2001 heeft de betrokkene gereageerd op de reactie van de advocaat-generaal op de nadere toelichting op het beroep.

3. Beoordeling

3.1. Gelet op de inhoud van de gedingstukken moet in deze zaak van de volgende feiten worden uitgegaan.

3.2. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van fl 50,- opgelegd ter zake van "niet stoppen voor rood licht bij driekleurig verkeerslicht", welke gedraging zou zijn verricht op 28 oktober 1999 op de Burg Reigerstraat te [woonplaats] Deze beschikking is op 31 december 1999 verzonden naar het door de betrokkene bij de staandehouding opgegeven adres, te weten [oude adres] te [woonplaats] Deze beschikking is op 4 januari 2000 als onbestelbaar teruggezonden aan het CJIB. Het CJIB heeft blijkens het zaakoverzicht op 12 januari 2000 het adres van de betrokkene geverifieerd in de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA), waarna de inleidende beschikking op 26 januari 2000 opnieuw is verzonden naar het adres [oude adres] te [woonplaats] Deze beschikking is opnieuw als onbestelbaar teruggezonden aan het CJIB. Op 13 april 2000 is een eerste aanmaning verzonden naar het adres [oude adres] te [woonplaats] Deze is niet onbestelbaar retour gekomen bij het CJIB. Met ingang van 20 april 2000 is het adres van de betrokkene in de GBA gewijzigd i[[nieuw adres]]es] te [woonplaats] Op 6 juni 2000 is de tweede aanmaning verzonden naar de [oude adres] te [woonplaats] Deze is als onbestelbaar retour gekomen bij het CJIB, waarna opnieuw verificatie van het adres in de GBA heeft plaatsgevonden. De tweede aanmaning is op 4 juli 2000 verzonden naar het adre[[nieuw adres]]es] te [woonplaats] Op 6 september 2000 heeft de officier van justitie een dwangbevel uitgevaardigd, dat op 4 oktober 2000 op het adre[[nieuw adres]]es] te Utrecht is betekend. De betrokkene heeft tijdig verzet gedaan.

3.3. De betrokkene stelt zich op het standpunt, dat hij de inleidende beschikking, de eerste en de tweede aanmaning nimmer heeft ontvangen. Daartoe voert hij aan dat hij ten tijde van de gedraging woonachtig was op het adres [oude adres] te Utrecht, dat hij op dat moment op zoek was naar een andere kamer, dat hij per 1 december 1[[nieuw adres]]res]res [adres] en dat de post vanwege de gespannen verhoudingen met de eigenaar van het huis op het adres [oude adres] niet werd doorgezonden. De betrokkene voert verder aan, dat hij reeds omstreeks 25 januari 2000 een adreswijziging heeft doorgegeven aan de gemeente. Tevens voert de betrokkene aan dat in het dwangbevel als adres wordt vermel[[nieuw adres]]es], dat hij echter woonachtig is op [[nieuw adres]]res] en dat uit ervaring blijkt dat de post nogal eens op het adres [[nieuw adres]] wordt bezorgd.

3.4. Een dwangbevel als bedoeld in art. 26 WAHV kan eerst rechtsgeldig worden uitgevaardigd nadat de beschikking waarbij de administratieve sanctie is opgelegd tot verhaal waarvan het dwangbevel moet dienen, onherroepelijk is geworden. In een geval als het onderhavige, waarin de betrokkene het verweer voert de beschikking waarbij de administratieve sanctie is opgelegd niet te hebben ontvangen, is voor de beantwoording van de vraag of de beschikking onherroepelijk is, beslissend of op grond van een in het kader van de procedure van art. 26 WAHV verricht onderzoek, zo nodig aan de hand van door de officier van justitie te verstrekken gegevens, door de kantonrechter wordt vastgesteld dat het verweer van de betrokkene als onjuist moet worden verworpen, omdat blijkt dat deze de beschikking wel heeft ontvangen, dan wel deze niet heeft ontvangen ten gevolge van een hem toe te rekenen omstandigheid. In beginsel is het aan de officier van justitie om aannemelijk te maken dat hieraan is voldaan, maar van een betrokkene mag worden verwacht dat hij niet volstaat met de enkele ontkenning dat hij de beschikking heeft ontvangen, doch voor zover in zijn vermogen ligt, nadere gegevens verschaft ter staving van dat verweer.

3.5. Art. 4, tweede lid, WAHV luidt, voor zover hier van belang, als volgt: De bekendmaking van de beschikking geschiedt binnen vier maanden nadat de gedraging heeft plaatsgevonden door toezending van de beschikking aan het adres dat betrokkene heeft opgegeven. Indien de brief onbestelbaar blijkt te zijn, wordt de beschikking gezonden naar het in de basisadministratie persoonsgegevens vermelde adres. Indien de brief ook op het in de basisadministratie persoonsgegevens adres onbestelbaar blijkt te zijn, wordt de beschikking geacht aan de betrokkene bekend te zijn.

3.6. Een betrokkene, die is staande gehouden naar aanleiding van het verrichten van een gedraging als bedoeld in art. 2, eerste lid, WAHV en die ter gelegenheid daarvan aan een in art. 3, eerste lid, WAHV bedoelde ambtenaar zijn adres opgeeft, moet er gezien het bepaalde in art. 4, tweede lid, WAHV van uitgaan, dat - indien hem een aankondiging van een beschikking wordt uitgereikt - de beschikking wordt gezonden naar het door hem opgegeven adres. Daarom mag van hem worden verlangd dat hij, teneinde tijdig de hem opgelegde sanctie te kunnen voldoen, terstond van een wijziging van het door hem opgegeven adres kennis geeft aan het bestuursorgaan, dat hem bedoelde aankondiging van de beschikking heeft gedaan. Als zodanige kennisgeving kan niet worden aangemerkt opgave van de adreswijziging aan de afdeling bevolking van de gemeente waar de betrokkene ten tijde van de gedraging stond ingeschreven. Ziet de betrokkene af van bedoelde kennisgeving, dan komt de omstandigheid dat hij daardoor de hem opgelegde sanctie niet of niet tijdig kan voldoen, doordat de inleidende beschikking hem niet of niet tijdig heeft bereikt, voor zijn rekening. Dat laatste kan uitzondering lijden wanneer er voor het bestuursorgaan aanleiding bestaat om bij de gemeentelijke basisadministratie opgave te vragen van het aldaar ingeschreven adres en die opgave inhoudt dat het geldende adres een ander is dan het aan het bestuursorgaan bekende adres en van het bestuursorgaan mag worden verwacht dat het de inleidende beschikking met het oog op de gerechtvaardigde belangen van de betrokkene zendt naar het in de gemeentelijke basisadministratie opgenomen adres.

3.7. Gelet op hetgeen in r.o. 3.2. is overwogen, heeft het CJIB gehandeld overeenkomstig het bepaalde in art. 4, tweede lid, WAHV. De betrokkene heeft het bestuursorgaan, dat hem de aankondiging van beschikking heeft gedaan, geen kennis gegeven van een wijziging van het door hem opgegeven adres. Tenslotte heeft de betrokkene evenmin voldaan aan de ingevolge art. 66 Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op hem rustende verplichting om binnen vijf dagen na de wijziging van het adres, zoals dat als gevolg van de verhuizing van de betrokkene kwam te luiden, schriftelijk aangifte te doen bij de gemeente, immers heeft de betrokkene na een verhuizing op 1 december 1999 eerst omstreeks 25 januari 2000 deze adreswijziging aan de gemeente doorgegeven, als gevolg waarvan het CJIB de inleidende beschikking op 26 januari 2000 naar zijn oude in plaats van zijn nieuwe adres heeft verzonden. Onder deze omstandigheden dient de omstandigheid dat de beschikking de betrokkene niet heeft bereikt voor zijn rekening te komen. Gelet op het vorenoverwogene moet de beschikking op de voet van art. 4, tweede lid, WAHV geacht worden aan de betrokkene bekend te zijn.

3.8. Aangezien de betrokkene de sanctie niet heeft betaald, is deze ingevolge het bepaalde in art. 23, tweede lid, WAHV van rechtswege verhoogd met 25%. Het CJIB heeft aan de betrokkene daarom een eerste aanmaning verzonden naar het adres [oude adres]. Dat de betrokkene deze niet heeft ontvangen, dient gelet op het vorenoverwogene eveneens voor diens rekening te blijven. Dat de betrokkene reeds omstreeks 25 januari 2000 een adreswijziging aan de gemeente zou hebben doorgegeven, doet hieraan niet af, nu de betrokkene, gelet op het in r.o. 3.6. overwogene een adreswijziging had moeten sturen naar het bestuursorgaan, dat hem de aankondiging van beschikking heeft gedaan.

3.9. Nu de betrokkene nalatig is gebleven de sanctie en de opgelegde verhoging te voldoen, is het inmiddels verschuldigde bedrag van de sanctie ingevolge art. 25, eerste lid, WAHV verder verhoogd met 50% van het bedrag van de sanctie en de daarop inmiddels gevallen verhoging. Het CJIB heeft daarom een tweede aanmaning gezonden aan het adres [oude adres]. Omdat deze onbestelbaar retour is gekomen, heeft het CJIB het adres geverifieerd in de GBA. Op 4 juli 2000 heeft het CJIB de tweede aanmaning gezonden naar het adre[[nieuw adres]]es] te [woonplaats]

3.10. In aanmerking genomen, dat de tweede aanmaning is gezonden naar het in de GBA bekende adres van de betrokkene en deze niet onbestelbaar retour is teruggezonden, moet ervan worden uitgegaan dat de betrokkene de tweede aanmaning heeft ontvangen.

3.11. Nu de betrokkene nalatig is gebleven de sanctie en de verhogingen te voldoen en ten tijde van het uitvaardigen van het dwangbevel kennelijk bij het CJIB geen rekeningnummer van de betrokkene bekend was, kan niet worden geoordeeld dat het dwangbevel ten onrechte is uitgevaardigd.

3.12. Gelet op het vorenoverwogene zal het hof de bestreden beschikking bevestigen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beschikking van de kantonrechter.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Vellinga, Huisman en Van Dijk, in tegenwoordigheid van mr. Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.