Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AE2767

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
17-05-2002
Datum publicatie
22-05-2002
Zaaknummer
BK 353/00
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2002-1059
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 353/00 17 mei 2002

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van mevrouw X te Z, voorheen te Garijp (: belanghebbende) tegen de uitspraak van het hoofd van de Belastingdienst Ondernemingen Leeuwarden (: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de haar opgelegde navorderingsaanslag inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen over het jaar 1996.

1. Ontstaan en loop van het geding

Met dagtekening 9 december 1998 is aan belanghebbende een aanslag inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen voor het jaar 1996 opgelegd naar een belastbaar inkomen, als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964, gelijk deze wet voor het onderhavige jaar gold (: de wet) van ƒ 140.000,--.

Vervolgens heeft belanghebbende op 2 februari 1999 alsnog een aangifte ingediend naar een belastbaar inkomen van ƒ 37.851,--. Deze aangifte heeft de inspecteur aangemerkt als een niet-ontvankelijk bezwaarschrift en behandeld als een verzoek om ambtshalve vermindering. Naar aanleiding van de ingediende aangifte heeft de inspecteur een boekenonderzoek ingesteld. Op grond op grond van de uitkomsten van dit onderzoek is aan belanghebbende een navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van

ƒ 177.119,--. In de navorderingsaanslag is een boete begrepen van 25% van het bedrag van de nagevorderde belasting/premie volksverzekeringen. Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij uitspraak van 15 maart 2000 afwijzend beslist. Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een pro forma beroepschrift, hetwelk op 25 april 2000 is ingekomen, en is aangevuld bij brief d.d. 30 maart 2001 (met bijlagen) welke brief op 2 april 2001 ter griffie van het hof is ingekomen. De inspecteur heeft vervolgens op 18 mei 2001 een verweerschrift (met bijlagen) ingezonden. Voorts is op 17 januari 2002 een faxbericht ingekomen van de gemachtigde van belanghebbende waarin hij meedeelt dat hij een getuige wenst voor te brengen. De mondelinge behandeling in deze zaak heeft gevoegd plaatsgevonden met de mondelinge behandeling in de zaak met het nummer BK 354/00 ter zitting van 25 januari 2002, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren belanghebbende en haar gemachtigde drs. A, alsmede de inspecteur bijgestaan door een medewerker van zijn inspectie. Ter zitting heeft drs. A een door hem voorgedragen pleitnota overgelegd. De inspecteur heeft eveneens een door hem voorgedragen pleitnota overgelegd. Het hof heeft ter voormelde zitting van 25 januari 2002, gehouden te Leeuwarden, als getuige gehoord mevrouw B. Van de beëdiging van die getuige, zomede van de door haar afgelegde verklaring werd een proces-verbaal opgemaakt, dat niet door de getuige is ondertekend.

Het hof heeft in deze zaak op 8 februari 2002 in het openbaar mondeling uitspraak gedaan, waarvan het proces-verbaal bij aangetekend schrijven, op 22 februari 2002, aan partijen is verzonden.

Bij een op 12 maart 2002 ter griffie ingekomen brief heeft de gemachtigde van belanghebbende verzocht de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Het daartoe verschuldigde griffierecht is op 5 april 2002 voldaan.

Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.1 Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.2 Met dagtekening 9 december 1998 is aan belanghebbende ambtshalve een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1996 opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 140.000,--.

2.3 Op 2 februari 1999 is alsnog een aangifte ingediend naar een belastbaar inkomen van

f 37.851,--. Daarin werd als winst uit onderneming ter zake van "Theehuis C" te L een winst aangegeven van f 13.626,--.

2.4 Naar aanleiding van de ingediende aangifte heeft de inspecteur een boekenonderzoek ingesteld. Op grond van de uitkomsten van dit onderzoek heeft de inspecteur een navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 177.119,--. Bij het vaststellen van de navorderingsaanslag is een boete opgelegd van 25% van het bedrag van de nagevorderde belasting/premie volksverzekeringen.

2.5 Belanghebbende heeft zich per 1 december 1995 als onderneemster bij de Kamer van Koophandel ingeschreven. Volgens haar opgave exploiteerde zij een theehuis aan de a-wal 1 te L, in de vorm van een eenmanszaak.

2.6 De Belastingdienst heeft het begintijdstip van de onderneming bepaald op 15 januari 1996. De onderneming was een zogenaamde coffeeshop waar met name wiet werd verhandeld. Er waren meerdere personeelsleden in dienst.

2.7 Tot maart 1997 was belanghebbende parttime werkzaam bij D.

2.8 Belanghebbende had (als werkgeefster) in1996 een arbeidsovereenkomst gesloten met de heer E (werknemer). Ten aanzien van deze arbeidsovereenkomst ontving belanghebbende een zogenaamde Melkert-loonsubsidie.

2.9 De zakelijke bankrekening van de onderneming stond op naam van belanghebbende. Belanghebbende huurde tot het najaar van 1997 het pand aan de a-wal 1.

2.10 Op 11 april 1997 kocht belanghebbende het pand a-wal 9 voor f 150.000,--. De onderneming werd hier naar toe verplaatst.

2.11 Op 6 juli 1998 ontving de Belastingdienst een briefje van belanghebbende waarin zij meedeelt dat zij haar onderneming Coffeeshop F, a-wal 9 te L, met ingang van 15 mei 1998 gesloten heeft.

1.12 In 1999 diende belanghebbende aangiften inkomstenbelasting/premieheffing volksverzekeringen 1996 en 1997 in, waarin de winst van de onderneming geheel aan haar werd toegerekend. De aangifte 1996 tekende zij op 1 februari 1999 en de aangifte 1997 op 4 maart 1999.

2.13 In het rapport van 23 juli 1999 van het onder 1.4 genoemde boekenonderzoek bij belanghebbende voor onder meer de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1996 en 1997 komt het volgende naar voren:

- niet bekend is hoe de omzet cannabis is bepaald;

- de geboekte inkoop cannabis werd van deze omzet afgeleid;

- niet duidelijk is hoe het verschil tussen de afgeleide en werkelijke inkoop cannabis in de kasadministratie werd verwerkt; en

- van controle op het kasgeld is geen sprake.

2.14 Volgens het rapport geeft de kasadministratie door het ontbreken van kascontrole en het niet correct boeken van de inkopen cannabis geen betrouwbare basis voor de winstberekening.

2.15 De inspecteur heeft vervolgens in het rapport een theoretische berekening van de winst gemaakt, gebaseerd op een brutowinstpercentage van 185% van de inkoop voor dranken etc., dat is ontleend aan andere horecabedrijven en een brutowinstpercentage van 100% van de inkoop voor cannabis en een verhoudingscijfer tussen de omzet dranken etc. en omzet cannabis van 10% / 90%, welke percentages zijn ontleend aan een onderzoek bij coffeeshops in L.

2.16 Voor het jaar 1996 werd de winst van f 13.626,-- (aangegeven in de aangifte) gecorrigeerd naar f 164.800,-- en mede in verband daarmee werd de navorderingsaanslag 1996 opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 177.119,--.

3. Het geschil en de standpunten van partijen.

In geschil is primair de vraag of de coffeeshop voor rekening van belanghebbende werd gedreven. Belanghebbende bestrijdt deze opvatting van de inspecteur.

Subsidiair is in geschil of sprake was van een vennootschap onder firma of een maatschap tussen belanghebbende en E, waarbij ieder voor de helft in de winst deelde. De inspecteur bestrijdt deze mening van belanghebbende.

Meer subsidiair stelt belanghebbende dat de theoretische winstberekening van de inspecteur niet kan kloppen.

Voorts is belanghebbende het niet eens met de boete en de hoogte ervan.

Voor een meer uitvoerige motivering van de standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken.

Ter zitting hebben partijen hun standpunten gehandhaafd zonder daartoe nadere gronden aan te voeren.

4. De overwegingen omtrent het geschil.

Ten aanzien van het primaire en subsidiaire geschilpunt

Gelet op de onder 2.3, 2.5 en 2.8 tot en met 2.12 vermelde feiten moet aangenomen worden dat de coffeeshop geheel voor rekening van belanghebbende werd gedreven. De door belanghebbende daartegen aangevoerde argumenten zijn onvoldoende van gewicht om tot een ander oordeel te komen.

Ten aanzien van het meer subsidiaire geschilpunt

Gelet op het onder 2.13 vermelde moet worden geconstateerd dat er geen sprake was van een deugdelijke kasadministratie en dat voorts de inkopen cannabis niet juist werden geboekt. De boekhouding kan als gevolg hiervan niet als grondslag voor de winstberekening worden aanvaard. Naar het oordeel van het Hof is de winstberekening van de inspecteur, zoals aangegeven onder 2.15, aan te merken als een redelijke schatting van de winst. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze tot een te hoog resultaat (weergegeven onder 2.16) leidt.

Ten aanzien van de boete

Belanghebbende had moeten begrijpen dat als gevolg van een ondeugdelijke kasadministratie en een ondeugdelijke administratie van de inkopen cannabis het gevaar bestond dat de winst door haar te laag zou worden aangegeven en dat te weinig belasting zou worden geheven. Het is dan ook aan grove schuld van belanghebbende te wijten dat aanvankelijk te weinig belasting is geheven. Het Hof acht deze omstandigheden van zodanig gewicht dat het een boete (zoals opgelegd) van 25% van het bedrag van de nagevorderde belasting/premie volksverzekeringen passend en geboden acht.

5. De conclusie.

Het gelijk ligt derhalve aan de zijde van de inspecteur.

6. De proceskosten.

Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

7. De beslissing.

Het hof verklaart het beroep ongegrond.

Gedaan op 17 mei 2002 door mr Pruiksma, vice-president, mr Huiskes, raadsheer en mr Wolt, raadsheer-plaatsvervanger, in tegenwoordigheid van de griffier mevrouw mr De Jong en ondertekend door voornoemde vice-president en door voornoemde griffier.

Afschrift aangetekend aan beide partijen verzonden

op: 22 mei 2002

De griffier van het Gerechtshof te Leeuwarden.