Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AE2711

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
17-05-2002
Datum publicatie
17-05-2002
Zaaknummer
24-000896-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-000896-01

Arrest d.d. 17 mei 2002 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Groningen d.d. 18 oktober 2001 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven te [adres],

thans verblijvende in P.I. De Grittenborgh,

Kinholtsweg 7 te Hoogeveen,

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman,

mr. H. Brouwer, advocaat te Utrecht.

Het vonnis waarvan beroep.

De arrondissementsrechtbank te Groningen heeft de verdachte bij voormeld vonnis op tegenspraak wegens misdrijven veroordeeld tot een straf, één en ander als in het vonnis nader omschreven.

Aanwending van het rechtsmiddel.

De officier van justitie en de verdachte zijn d.d. 31 oktober 2001 respectievelijk d.d. 24 oktober 2001 op de voorgeschreven wijze en tijdig van voormeld vonnis in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft gelet op het onderzoek ter 's hofs terechtzitting van 6 mei 2002 en op het onderzoek in eerste aanleg als voorgeschreven bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering.

De beslissing op het hoger beroep.

Het hof zal het vonnis, waarvan beroep, vernietigen en opnieuw recht doen.

Telastelegging.

Aan dit arrest is gehecht een fotokopie van de inleidende dagvaarding, waarin de door de eerste rechter toegelaten wijzigingen zijn aangebracht, waaruit de inhoud van de telastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

Bewezenverklaring.

Het hof acht ten aanzien van verdachte bewezenverklaard dat:

1. hij op verschillende tijdstippen, in de periode van 1 januari 1996 tot 15 december 2000 te Winschoten en te Groningen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

- telkens opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, in de zin van art. 1 lid 5 van de Opiumwet, heroïne (diacetylmorfine) en cocaïne, en telkens

- opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en vervoerd heroïne (diacetylmorfine) en cocaïne,

zijnde heroïne (diacetylmorfine) en cocaïne middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2. hij in de periode van 1 januari 1999 tot 15 december 2000 te Winschoten en te Groningen, als leider heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I (heroïne en cocaïne) en

- het opzettelijk verkopen, afleveren en vervoeren van middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I (heroïne en cocaïne) en

- opzettelijk aanwezig hebben van middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I (heroïne en cocaïne).

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld sub 1 en sub 2 meer of anders is telastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie.

Hetgeen het hof als bewezen heeft aangenomen levert respectievelijk op de misdrijven:

1.: Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

en,

Medeplegen van de voortgezette handeling van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

en,

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

2.: Als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Strafbaarheid.

Het hof acht verdachte te dezer zake strafbaar, nu ten opzichte van hem geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering.

De arrondissementsrechtbank te Groningen heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaren. Verdachte en de officier van justitie zijn van deze uitspraak in hoger beroep gekomen. De advocaat-generaal heeft gevorderd verdachte tot acht jaren gevangenisstraf te veroordelen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen hoofdstraf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van verdachte. Het hof heeft daarbij het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van meerdere jaren schuldig gemaakt aan het verkopen en afleveren van heroïne en cocaïne. Door deze middelen tevens te verkopen aan zogenaamde drugstoeristen heeft verdachte zich eveneens schuldig gemaakt aan de uitvoer van deze middelen.

Voorts neemt het hof in dit verband in ogenschouw dat deze feiten gedurende een periode van in ieder geval meer dan een jaar in georganiseerd verband zijn gepleegd. Binnen deze organisatie fungeerde verdachte als een leider, zij het op een enigszins lager niveau dan zijn eigen broer [naam broer]. Verdachte was degene die met name toezicht hield op de panden van waaruit de handel in verdovende middelen plaatsvond en de toevoer van verdovende middelen naar deze panden verzorgde. Bij de uitoefening van dat toezicht werd geweld niet geschuwd, terwijl het hof het in dit verband zeer kwalijk acht dat de feitelijke uitvoeringshandelingen met betrekking tot de verkoop en aflevering van de verdovende middelen werd overgelaten aan daartoe doelbewust aangezochte personen die zich in een afhankelijke en kwetsbare positie bevonden.

Verdachte heeft vorenstaande handelingen verricht om er zelf financieel beter van te worden.

Het hof houdt in verband met het vorenstaande rekening met het feit dat verdachtes broer [naam broer] bij vonnis van 18 oktober 2001 van de arrondissementsrechtbank te Groningen, parketnr. 18/030323-00, is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes jaren. Naar het oordeel van het hof is daarmee in het onderhavige geval de maximale duur van de aan verdachte op te leggen gevangenisstraf bepaald.

Gelet op de inhoud van een verdachte betreffend uittreksel van het algemeen documentatieregister d.d. 29 april 2001 van de justitiële documentatiedienst te Almelo, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder ter zake van soortgelijke feiten is veroordeeld, en in aanmerking genomen de strafoplegging in soortgelijke gevallen en mede gelet op de strafoplegging jegens verdachtes broer [naam broer] zoals vorenoverwogen, is het hof van oordeel dat aan verdachte een gevangenisstraf van vijf jaren moet worden opgelegd.

De door en namens verdachte aangevoerde persoonlijke omstandigheden, daarin bestaande dat verdachte door de gewelddadige dood van zijn vriendin thans de zorg voor hun dochtertje heeft, zijn niet van dien aard dat daarin aanleiding kan worden gevonden tot strafvermindering.

Toepassing van wetsartikelen.

Het hof heeft gelet op de artikelen 47, 57, 63 en 140 van het Wetboek van strafrecht en de artikelen 2, 2 (oud) en 10 van de Opiumwet.

De uitspraak.

HET HOF,

RECHTDOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw rechtdoende:

verklaart het verdachte als voormeld sub 1 en sub 2 telastegelegde bewezen en te kwalificeren als voormeld en verklaart deze feiten en verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld sub 1 en sub 2 meer of anders is telastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Dit arrest is aldus gewezen door mrs. Weenink, voorzitter, Zwerwer en Elders, in tegenwoordigheid van mr. Pullens als griffier, zijnde mr. Elders voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.