Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AE2686

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
15-05-2002
Datum publicatie
16-05-2002
Zaaknummer
rolnummer 0000275
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 15 mei 2002

Rolnummer 0000275

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de derde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

1. [appellant 1],

wonende te [woonplaats], Duitsland,

hierna te noemen: [appellant],

2. de vennootschap naar Duits recht [appellant 2],

gevestigd te [vestigingsplaats], Duitsland,

appellanten,

in eerste aanleg: eisers,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten],

procureur: mr R.A. Schütz,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

procureur: mr J.V. van Ophem.

De inhoud van het tussenarrest d.d. 19 december 2001 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

Ingevolge voormeld tussenarrest heeft [appellant] bij akte in het geding gebracht een fotocopie van een krantenartikel van de Welt am Sontag dd. 25 februari 1996, waarin de tekst van de ten tijde van het ongeval geldende zogenaamde FIS-regels is opgenomen, alsmede fotocopieën van de in het verslag van de ingewonnen inlichtingen over Oostenrijks recht genoemde Oostenrijkse rechterlijke beslissingen.

Partijen hebben de stukken vervolgens opnieuw aan het hof overgelegd voor het wijzen van arrest.

De beoordeling

Opnieuw met betrekking tot de verholen grief met betrekking tot de feiten

1. Er is geen rechtsregel die de rechter verplicht alle door de ene partij gestelde en door de andere partij erkende of niet weersproken feiten als vaststaand in de uitspraak te vermelden. Het staat de rechter vrij uit de aldus tussen partijen vaststaande feiten die selectie te maken welke hem voor de beoordeling van het geschil relevant voorkomt. Overigens zal het hof op hetgeen door [appellant] in het verband van de verholen grief naar voren is gebracht nader ingaan in het onderstaande.

Opnieuw met betrekking tot de door [appellant] geformuleerde grief

2. De grond voor de aansprakelijkheid van [geïntimeerde] formuleert [appellant] met name in de navolgende passage in de memorie van grieven:

Appellanten achten de bewuste schuldaansprakelijkheid in casu aanwezig. Gezien de subjectieve vaardigheden van geïntimeerde moet worden geconcludeerd dat zij de inschatting heeft moeten maken dat de bewuste helling toch als te zwaar voor haar was. Zij was immers niet in staat haar bochtenwerk te beheersen. Bovendien heeft zij met een te hoge snelheid geskied hetgeen geïntimeerde en haar echtgenoot in hun getuigenverklaringen hebben bevestigd. Met name het laatste leidt ertoe dat niet slechts sprake is van een overtreding van genoemde FIS-regels doch dat er eveneens sprake is van verwijtbaar handelen zijdens geïntimeerde.

3. In het verslag van de ingewonnen inlichtingen over Oostenrijks recht (nader te noemen: het verslag) komt naar voren dat de beoordeling van het handelen van [geïntimeerde] naar subjectieve maatstaven dient plaats te vinden en dat onderzocht dient te worden of [geïntimeerde] volgens haar subjectieve mogelijkheden in staat was de onrechtmatigheid van haar handelen te onderkennen en zich dienovereenkomstig te gedragen. Schuld is naar Oostenrijks recht aanwezig wanneer [geïntimeerde] haar gedraging moest en kon vermijden.

Bij de beoordeling in Oostenrijk van ski-ongevallen spelen de FIS-regels weliswaar een rol, maar uit de rechtspraak blijkt dat het uitgangspunt van de FIS-regels dat rekening gehouden moet worden met andere skiers niet al te strict moet worden uitgelegd, omdat anders skien onmogelijk wordt gemaakt. Belangrijker nog is dat het volgens het verslag en de daarin geciteerde Oostenrijkse jurisprudentie twijfelachtig is of de FIS-regels bij een beginnende skier zoals [geïntimeerde] in de onderhavige zaak een uitgangspunt kunnen zijn voor de vaststelling dat [geïntimeerde] jegens [appellant] verwijtbaar heeft gehandeld. Het hof leest hierin dat de door [appellant] geconstateerde overtreding door [geïntimeerde] van FIS-regels, voor zover hiervan al sprake is, geen bijzondere betekenis heeft voor de beoordeling van de handelwijze van [geïntimeerde]. Hierin speelt ook een rol, dat met betrekking tot de beoordeling van de subjectieve vaardigheden van de veroorzaker van een ski-ongeval volgens Oostenrijkse jurisprudentie het van belang is dat de veroorzaker van het ongeval een onervaren skier is. In dit verband wordt een beslissing geciteerd waarin aan een ongeoefend skier, die deelnam aan een beginnerscursus van een skischool, er geen verwijt van wordt gemaakt dat hij op de tweede lesdag een uitwijkmanoeuvre niet met succes kon volbrengen.

4. Het verwijt van [appellant] in verband met de grieven, dat [geïntimeerde] had moeten inschatten dat de bewuste helling waarop zij zich bevond te zwaar voor haar was, moet worden verworpen. Blijkens het ingewonnen verslag onder e) mocht [geïntimeerde] immers dienaangaande vertrouwen op de beslissing van haar skileraar.

5. Het hoger beroep is toegespitst op de snelheid waarmee [geïntimeerde] voorafgaand aan het ongeval skiede. [appellant] en haar echtgenoot hebben als getuigen verklaard niets te kunnen meedelen over de toedracht van het ongeval, en dus ook niet over de snelheid van [geïntimeerde] hieraan voorafgaande. Uit de verklaringen van [geïntimeerde] en haar echtgenoot volgt weliswaar dat [geïntimeerde] met een - relatief - te hoge snelheid de bocht inging, maar niet dat zij ter plekke met een onaanvaardbare hoge snelheid aan de groepsafdaling deelnam. [geïntimeerde] heeft immers ook verklaard: 'ik heb eerlijk gezegd geen idee van de snelheid waarmee ik skiede. Maar niet dat ik zeg; "Wat ging ik gigantisch hard", ik was immers bezig om een bocht te maken.'

Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat niet is komen vast te staan dat aan [geïntimeerde] een rechtens relevant verwijt ter zake gemaakt kan worden, mede omdat volgens het verslag onder d) het gebrek aan ervaring en capaciteit van [geïntimeerde] hier een essentiële niet aan [geïntimeerde] toerekenbare rol speelt.

6. Voor zover het verwijt in hoger beroep van [appellant] aan [geïntimeerde], dat zij overigens geen botsing met [appellant] heeft vermeden, nog betrekking heeft op de stelling in de inleidende dagvaarding dat [geïntimeerde] de botsing had kunnen voorkomen door zich in de sneeuw te laten vallen, verwijst het hof naar het oordeel in het verslag dat volgens Oostenrijkse jurisprudentie aan beginners, zoals [geïntimeerde], van het nalaten hiervan geen verwijt kan worden gemaakt.

7. De grieven falen.

Slotsom

8. De vonnissen waarvan beroep dienen te worden bekrachtigd.

[appellant] zal als de in het ongelijk te stellen partij te worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de vonnissen waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van [geïntimeerde] tot aan deze uitspraak op € Euro 440,17 aan verschotten en Euro € 771,43 aan salaris voor de procureur.

Aldus gewezen door mrs. Streppel, voorzitter, Makkinga en Verschuur, raden, en uitgesproken door mr Streppel, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Haites-Verbeek als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 15 mei 2002.