Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AE2447

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
03-05-2002
Datum publicatie
08-05-2002
Zaaknummer
BK 590/00
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2002/25.2.12
V-N 2002/45.15 met annotatie van Redactie
FutD 2002-0976
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Nr. 590/00 3 mei 2002

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, eerste meervoudige

belastingkamer, op het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X BV te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid ondernemingen van de belastingdienst te Leeuwarden (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de haar opgelegde navorderingsaanslag in de vennootschapsbelasting voor het jaar 1996.

1. Ontstaan en loop van het geding.

Belanghebbende werd in de vennootschapsbelasting voor het jaar 1996 op grond van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 door de inspecteur aangeslagen naar een belastbaar bedrag van

f. 95.184,--.

Aan belanghebbende is vervolgens de onderwerpelijke navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar bedrag van

f. 157.414,--, welke navorderingsaanslag werd opgelegd zonder verhoging.

Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 3 juli 2000 de navorderingsaanslag gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen), hetwelk op 27 juli 2000 is ingekomen en werd aangevuld bij schrijven (met bijlagen) van 26 september 2000.

Nadat de inspecteur haar verweerschrift (met bijlagen) had ingezonden, heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 20 februari 2002, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren de gemachtigde van belanghebbende en de inspecteur.

Ter voormelde zitting heeft de inspecteur een pleitnota voorgedragen en overgelegd.

Van alle genoemde en hierna nog te noemen stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

Belanghebbende statutair gevestigd te L, doch feitelijk te Z, kent als statutaire doelstelling de bevordering van de uitoefening van de chirurgische praktijk, zomede het verkrijgen, vervreemden, beheren en exploiteren van vermogenswaarden, onroerende goederen daaronder begrepen, alsmede het beleggen van gelden in vermogenswaarden en het beheren van die beleggingen.

Directeur en enig aandeelhoudster van belanghebbende is mevrouw A, die per 1 april 1996 de uitoefening van haar chirurgische praktijk beëindigde, waarmee ook een einde kwam aan de dienovereenkomstige activiteit van belanghebbende.

In 1996 zijn tot een bedrag van f. 78.855,-- door belanghebbende stortingen verricht op een bankrekening ten name van de heer B, de echtgenoot van mevrouw A.

De heer B heeft vervolgens deze gelden gestort op een beleggingsrekening van Effectenbank C, welke rekening stond ten name van mevrouw A.

In haar aangifte voor de inkomstenbelasting voor het jaar 1996 heeft mevrouw A een depot bij C vermeld tot een bedrag van f. 16.625,-- en een rentelast ten behoeve van de financiering van effecten terzake van haar rekening-courantlening bij belanghebbende.

Belanghebbende heeft aanvankelijk een aangifte voor de vennootschapsbelasting voor 1996 gedaan naar een belastbaar bedrag van f. 157.414,--.

Bij schrijven van 20 juli 1998, aangevuld bij schrijven van 14 september 1998, heeft de gemachtigde van belanghebbende de aangifte in die zin gecorrigeerd, dat het belastbaar bedrag verminderd dient te worden met het verschil tussen de kostprijs van aandelen van f. 78.855,-- en de marktwaarde daarvan per 31 december 1996 van

f. 16.625,--, ofwel met f. 62.230,--.

Mede in verband daarmee heeft de inspecteur de primitieve aanslag opgelegd naar een belastbaar bedrag van f. 95.184,--.

Bij het opleggen van de onderhavige navorderingsaanslag heeft de inspecteur zich op het standpunt gesteld, dat de vorenbedoelde waardedaling van de aandelen niet ten laste van het resultaat van belanghebbende kan komen en heeft zij in verband daarmee het belastbaar bedrag van belanghebbende verhoogd tot f. 157.414,--, overeenkomstig de oorspronkelijk ingediende aangifte, en heeft zij naar dat belastbaar bedrag die navorderingsaanslag opgelegd.

Op het bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak dit standpunt gehandhaafd.

3. Het geschil.

Te dezen is in geschil het antwoord op de vraag of de waardedaling van de desbetreffende effecten ten laste van het resultaat van belanghebbende dient te komen, welke vraag door belanghebbende bevestigend en door de inspecteur ontkennend wordt beantwoord.

4. Het standpunt van belanghebbende.

Door belanghebbende is -voor zover te dezen van belang, kort samengevat- gesteld in het beroepschrift en mondeling ter zitting:

Door haar werd een deel van de beleggingsrekeningen abusievelijk niet te haren name, maar ten name van mevrouw A gesteld.

In haar administratie werden de aan- en verkopen, alsmede de provisies en dergelijke wel verwerkt als zijnde aan- en verkopen en provisies te haren bate of laste.

De door de heer B aangedragen gegevens konden op het kantoor van de gemachtigde van belanghebbende niet gebruikt worden en werden daarom ingebracht in een ander systeem, waarbij de gegevens op de betreffende beleggingsrekeningen niet werden verwerkt als zijnde gegevens welke haar aangingen.

Ook het argument van de inspecteur, dat de beleggingen dusdanig speculatief waren, dat de daarin belegde gelden daarom al geacht moeten worden een onttrekking te vormen, gaat niet op.

Zij concludeert tot vernietiging van de uitspraak en de navorderingsaanslag.

5. Het standpunt van de inspecteur.

De inspecteur heeft daartegenover -voor zover te dezen van belang, kort samengevat- aangevoerd in het verweerschrift en mondeling ter zitting:

Bij het controle-onderzoek constateerde de controlerend ambtenaar, dat uit de bankschriften op geen enkele wijze bleek dat er sprake was van aankopen ten name of voor rekening van belanghebbende.

Dat de beleggingsrekeningen abusievelijk niet op belanghebbendes naam stonden acht zij ongeloofwaardig: de tenaamstelling was evenals in 1995 privé en men had eenvoudig een andere rekening op naam van belanghebbende kunnen openen.

Zij concludeert tot bevestiging van de uitspraak.

6. De overwegingen omtrent het geschil.

Vaststaat, dat belanghebbende in 1996 tot een bedrag van

f. 78.855,-- stortingen heeft gedaan op een bankrekening ten name van de heer B, die deze gelden vervolgens heeft gestort op een beleggingsrekening van Effectenbank C, welke ten name stond van mevrouw A.

Voorts staat vast, dat mevrouw A in haar aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor 1996 een depot bij C heeft vermeld tot een bedrag van f. 16.625,-- en een rentelast ten behoeve van financiering van effecten terzake van haar rekening-courantlening bij belanghebbende.

Onder vorenomschreven omstandigheden acht het hof aannemelijk, dat de door belanghebbende beweerde waardedaling van de desbetreffende effecten van f. 78.855,-- tot f. 16.625,-- niet ten laste van belanghebbende komt, aangezien deze effectenbelegging niet door belanghebbende is verricht, maar door haar directeur en aandeelhoudster uit haar daartoe door belanghebbende ter beschikking gestelde middelen.

Belanghebbende heeft weliswaar gesteld, dat een en ander het gevolg geweest zou zijn van een misverstand, maar zij heeft deze stelling

-waarvan onder de gegeven omstandigheden de bewijslast op belanghebbende rust- niet aannemelijk gemaakt met hetgeen door haar is aangevoerd.

Het beroep is derhalve ongegrond.

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. De beslissing.

Het hof verklaart het beroep ongegrond.

Gedaan op 3 mei 2002 door prof. mr. Aardema, vice-president, mr. Drion, raadsheer en mr. Wolt, raadsheer-plaatsvervanger, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Hiemstra en ondertekend door voornoemde vice-president en door voornoemde griffier.

Op 8 mei 2002 afschrift

aangetekend verzonden aan beide

partijen.

De griffier van het Gerechtshof

te Leeuwarden.