Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AE2445

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
03-05-2002
Datum publicatie
08-05-2002
Zaaknummer
BK 433/01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2004:AO7336
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2002/25.2.3
V-N 2002/42.1.3
FutD 2002-0972
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 433-01 3 mei 2002

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraken van het hoofd van de eenheid particulieren van de belastingdienst te Leeuwarden (hierna: de inspecteur), gedaan op de respectievelijke bezwaarschriften van belanghebbende tegen de hem opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premieheffingen voor het jaar 1997 en het jaar 1998.

1. Ontstaan en loop van het geding

Belanghebbende werd voor het jaar 1997 in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen aangeslagen naar een belastbaar inkomen als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964, gelijk deze wet voor het onderhavige jaar gold, (hierna te noemen: de Wet) van f. 35.189,--. Voor het jaar 1998 werd hij aangeslagen naar een belastbaar inkomen van f.51.545,--.

Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraken van 11 mei 2001 de aanslagen gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen deze uitspraken in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen), hetwelk op 20 juni 2001 is ingekomen en welk beroepschrift werd aangevuld bij brief (met bijlagen) van 16 juli 2001.

Nadat de inspecteur zijn verweerschrift (met bijlagen) had ingezonden, heeft de gemachtigde van belanghebbende bij schrijven van 13 maart 2002 (waarvan afschrift is gezonden aan de inspecteur) daarop gereageerd en aangekondigd niet ter zitting te zullen verschijnen.

Vervolgens heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 21 maart 2002, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig was de inspecteur.

Ter voormelde zitting heeft de inspecteur de door hem ter zitting voorgedragen pleitnota overgelegd.

Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

Blijkens de gedingstukken staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.1 Belanghebbende, geboren in 1975 en ongehuwd, was geheel 1997 en in 1998 tot 16 juli in loondienst bij A.

2.2 Van 4 december 1997 tot 21 mei 1998 is belanghebbende uitgezonden geweest naar het voormalige Joegoslavië in het kader van de SFOR-krijgsmacht.

2.3 Ten aanzien van het gebied waarnaar belanghebbende was uitgezonden was de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, ondertekend te Belgrado op 22 februari 1982 (Tractatenblad 1982, 41) (nader te noemen: het Verdrag) van toepassing.

2.4 Bij het vaststellen van de onderhavige aanslagen heeft de inspecteur, naast enige thans niet in geschil zijnde correcties, de bij de aangiften gedane verzoeken om vermindering wegens dubbele belasting geweigerd.

Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraken dit standpunt gehandhaafd.

3. Het geschil.

Te dezen is in geschil het antwoord op de vraag of de inspecteur al dan niet terecht vermindering wegens dubbele belasting heeft geweigerd.

4. De standpunten van partijen.

Belanghebbende heeft op gronden, gelijk vervat in zijn beroepschrift, het standpunt ingenomen dat hij op grond van het Verdrag recht heeft op vermindering wegens dubbele belasting, zodat de uitspraken dienen te worden vernietigd en de aanslagen te worden verlaagd.

De inspecteur heeft daartegenover op gronden, gelijk weergegeven in zijn verweerschrift, het standpunt verdedigd dat het Verdrag het heffingsrecht heeft toegewezen aan Nederland, zonder onderworpenheid aan belastingheffing in voormalig Joegoslavië te creëren.

De inspecteur heeft ter zitting zijn standpunt gehandhaafd, zonder daartoe overigens nadere gronden te hebben aangevoerd.

5. De overwegingen omtrent het geschil.

5.1 Voor zover te dezen van belang luiden de leden 1, 2 en 4 van artikel 15 van het Verdrag:

1. Onder voorbehoud van de bepalingen van de artikelen 16, 18, 19 en 20 zijn salarissen, lonen en andere soortgelijke beloningen verkregen door een inwoner van een van de Staten ter zake van een dienstbetrekking slechts in die Staat belastbaar, tenzij de dienstbetrekking in de andere Staat wordt uitgeoefend. Indien de dienstbetrekking aldaar wordt uitgeoefend, mag de ter zake daarvan verkregen beloning in die andere Staat worden belast.

2. Niettegenstaande de bepalingen van het eerste lid van dit artikel is de beloning verkregen door een inwoner van een van de Staten ter zake van een in de andere Staat uitgeoefende dienstbetrekking slechts in de eerstbedoelde Staat belastbaar, indien:

a. de genieter in de andere Staat verblijft gedurende een tijdvak of tijdvakken, die in het desbetreffende kalenderjaar een totaal van 183 dagen niet te boven gaan, en

b. de beloning wordt betaald door of namens een persoon die geen inwoner van de andere Staat is, en

c. de beloning niet ten laste komt van een vaste inrichting die, of van een vast middelpunt dat die persoon in de andere Staat heeft.

4. a. Niettegenstaande de bepalingen van het eerste lid van dit

artikel, mogen salarissen, lonen en andere soortgelijke

beloningen, betaald door een van de Staten of een staatkundig

onderdeel of een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan

aan een natuurlijk persoon worden belast in die Staat;

b. Deze salarissen, lonen en beloningen zijn echter slechts in de

andere Staat belastbaar indien de werkzaamheden worden

verricht in die andere Staat en de genieter een inwoner van die

andere Staat is die:

1. onderdaan is van die andere Staat; of

2. niet uitsluitend voor het verrichten van de werkzaamheden inwoner van die andere Staat werd.

5.2 Uit vorenstaande bepalingen blijkt dat in beginsel de door belanghebbende ter zake van de uitzending ontvangen salarisbedragen door de staat waarnaar belanghebbende was uitgezonden zou mogen worden belast, behoudens het bepaalde in lid 2 . In dit lid 2 is bepaald dat het betreffende salaris "slechts", dus uitsluitend in Nederland, belastbaar is indien belanghebbendes verblijf in voormalig Joegoslavië per kalenderjaar een duur van totaal 183 dagen niet te boven gaat en het salaris wordt betaald door een niet-inwoner van voormalig Joegoslavië en het salaris niet ten laste komt van een vaste inrichting of een vast middelpunt in voormalig Joegoslavië. Volgens lid 4 van artikel 15 zou dit anders geweest zijn indien belanghebbende inwoner van voormalig Joegoslavië zou zijn geweest.

5.3 Nu belanghebbendes verblijf in voormalig Joegoslavië noch in 1997, noch in 1998 183 dagen te boven ging, zijn salaris is betaald door A (die niet inwoner is van voormalig Joegoslavië), het salaris niet ten laste komt van een vaste inrichting of vast middelpunt (wat A niet in voormalig Joegoslavië heeft), terwijl belanghebbende geen inwoner was van voormalig Joegoslavië, is volgens het Verdrag het recht om van het salaris belasting te heffen uitsluitend toegekend aan Nederland.

5.4 Ingevolge het vorenstaande komt artikel 23 van het Verdrag, regelende de vermijding van dubbele belasting indien zowel Nederland als voormalig Joegoslavië bevoegd zouden zijn het salaris in de belastbare grondslag te begrijpen, niet aan de orde.

5.5 De inspecteur heeft derhalve terecht geen vermindering wegens dubbele belasting toegestaan, zodat het beroep ongegrond is.

5.6 Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing.

Het hof verklaart het beroep ongegrond.

Gedaan op 3 mei 2002 door mr. Drion, raadsheer en voorzitter, mr. Huiskes en mr. Fransen, raadsheren, in tegenwoordigheid van de griffier mw.mr. De Jong en op die dag in het openbaar uitgesproken en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier.

Op 8 mei 2002 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.

De griffier van het Gerechtshof

te Leeuwarden.