Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AE1749

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
20-03-2002
Datum publicatie
01-07-2002
Zaaknummer
WAHV 01-00431
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 01/00431

20 maart 2002

CJIB 28516299

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter te 's-Hertogenbosch

van 27 december 2000

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement 's-Hertogenbosch ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. De bestreden beslissing is blijkens een daarop geplaatste aantekening op 19 april 2001 aan de betrokkene toegezonden. Het beroepschrift, gedateerd 29 mei 2001, is blijkens het daarop geplaatste stempel op 1 juni 2001 ter griffie van het kantongerecht ontvangen. In het beroepschrift wordt vermeld dat het aangetekend is verzonden. Daarom neemt het hof aan dat de betrokkene dit beroepschrift per post heeft verzonden. Bij de stukken bevindt zich echter niet de envelop waarin die verzending is geschied, zodat niet aan de hand daarvan kan worden vastgesteld op welke datum de brief ter post is bezorgd. De mogelijkheid bestaat dan ook dat het beroepschrift in de periode van 29 tot en met 31 mei 2001, dat wil zeggen binnen de beroepstermijn van zes weken, ter post is bezorgd.

3.2. Nu het hof niet kan nagaan op welke datum het beroepschrift ter post is bezorgd, moet het ervoor worden gehouden dat dit voor het einde van de beroepstermijn is geschied, zodat het beroepschrift, dat niet later dan een week na afloop van die termijn is ontvangen, tijdig is ingediend.

3.3. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van fl 170,-- opgelegd ter zake van "overschrijding van de maximumsnelheid op (auto)wegen buiten de bebouwde kom (gedragsregel); > 15 km/h t/m 20 km/h", welke gedraging zou zijn verricht op 20 april 1999 op de Rijksweg N50 te Rosmalen.

3.4. Bij brief van 15 oktober 1999 heeft de betrokkene beroep ingesteld tegen de inleidende beschikking welke hem op 11 september 1999 is toegezonden.

Bij brief van 28 oktober 1999 heeft het CJIB de ontvangst van de brief van 15 oktober 1999 aan de betrokkene bevestigd en hem voorts laten weten het beroepschrift te hebben doorgezonden naar de officier van justitie.

Bij brief van 10 februari 2000, door de officier van justitie ontvangen op 14 februari 2000 en kennelijk opgevat als een beroepschrift, heeft de betrokkene aan de officier van justitie medegedeeld dat hij de auto noch bestuurd noch gehuurd heeft, waarbij hij verwijst naar zijn brief van 15 oktober 1999.

De officier van justitie heeft bij beslissing van 25 mei 2000 dit beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.

Bij brief van 15 juni 2000 heeft de betrokkene tegen deze beslissing beroep bij de kantonrechter ingesteld, waarbij hij verwijst naar zijn brief van 15 oktober 1999.

Bij brief van 27 juni 2000 heeft de officier van justitie de betrokkene verzocht om hem een kopie van de stukken van 15 oktober 1999 toe te zenden omdat deze nooit bij hem zijn aangekomen.

Per faxbericht van 10 juli 2000 heeft de betrokkene aan de officier van justitie zijn beroepschrift van 15 oktober 1999 en de reeds genoemde brief van het CJIB van 28 oktober 1999 toegestuurd.

Op 27 december 2000 heeft de kantonrechter het beroep ongegrond verklaard.

3.5. Art. 6, eerste lid, WAHV luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

Tegen de oplegging van de administratieve sanctie kan degene tot wie de beschikking is gericht, beroep instellen bij de officier van justitie in het arrondissement waar de gedraging is verricht.

3.6. Niet is gebleken dat de brief van de betrokkene van 15 oktober 1999 is verzonden aan de officier van justitie. Nu wel is gebleken dat die brief is binnengekomen bij het CJIB is deze kennelijk gericht geweest aan een orgaan, dat niet bevoegd was te beslissen op het beroep dat de betrokkene met die brief beoogde in te stellen tegen de inleidende beschikking van 11 september 1999.

3.7. Art. 6:15, eerste lid, Awb luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

Indien het (...) beroepschrift wordt ingediend bij een onbevoegd bestuursorgaan (...), wordt het, nadat daarop de datum van ontvangst is aangetekend, zo spoedig mogelijk doorgezonden aan het bevoegde orgaan, onder gelijktijdige mededeling hiervan aan de afzender.

3.8. Bij de gedingstukken bevindt zich niet een brief van het CJIB aan de officier van justitie waarbij het beroepschrift van 15 oktober 1999 wordt doorgezonden. Het moet er derhalve voor worden gehouden dat het beroepschrift niet is doorgezonden. Dit geldt temeer nu de officier van justitie in zijn brief van 27 juni 2000 stelt de stukken van 15 oktober 1999 nooit te hebben ontvangen.

3.9. Ten aanzien van de vraag of het beroepschrift van 15 oktober 1999 desondanks als tijdig ingediend moet worden beschouwd geldt het volgende. De termijn waarbinnen tegen de inleidende beschikking beroep kon worden ingesteld was op 24 oktober 1999 verstreken; het CJIB heeft de ontvangst van het beroepschrift op 28 oktober 1999 bevestigd. Uit de stukken valt niet af te leiden wanneer het beroepschrift is verzonden en evenmin wanneer het door het door het CJIB is ontvangen. Nu niet is gebleken -en evenmin aannemelijk is- dat het eerst na 23 oktober 1999 door het CJIB is ontvangen, gaat het hof er van uit dat het beroepschrift binnen de beroepstermijn bij het CJIB is binnengekomen. Het hof is voorts van oordeel, dat het tijdstip van indiening bij het CJIB bepalend is voor de vraag of het beroepschrift tijdig is ingediend. Zoals het hof eerder heeft overwogen (WAHV 01/00152) is het hof van oordeel dat ter zake van de vraag als hier van belang vooruit kan worden gelopen op de inwerkingtreding van de Eerste evaluatiewet Awb (Stb. 2002, 53), waarbij het derde lid van art. 6:15 Awb zodanig is gewijzigd dat het tijdstip van indiening bij het onbevoegde orgaan steeds bepalend is voor de vraag of het beroepschrift tijdig is ingediend behoudens één hier niet ter zake doende uitzondering. Het beroepschrift dient derhalve als tijdig ingediend te worden beschouwd.

3.10. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter het beroep van de betrokkene ten onrechte ongegrond verklaard. Derhalve zullen de beslissing van de kantonrechter alsmede de beslissing van de officier van justitie moeten worden vernietigd.

3.11. Tussen het tijdstip waarop de betrokkene de inleidende beschikking is toegestuurd en het tijdstip waarop het beroep van de betrokkene bij het hof wordt behandeld is een periode van ruim 27 maanden verlopen. Nu uit de stukken niet blijkt van bijzondere omstandigheden die dit lange tijdsverloop kunnen rechtvaardigen moet worden geoordeeld dat het recht van de betrokkene op behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is geschonden. Derhalve zal het hof de zaak niet terugwijzen, maar zelf afdoen in voege als na te melden.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder CJIB-nr 28516299 de administratieve sanctie is opgelegd;

bepaalt dat een bedrag van € 77,14 door de advocaat-generaal aan de betrokkene wordt gerestitueerd, welk bedrag overeenkomt met een bedrag van ƒ 170,-- dat door hem op de voet van art. 11 WAHV tot zekerheid is gesteld.

Dit arrest is gewezen door mrs. Vellinga, Huisman en Van Dijk, in tegenwoordigheid van mr. Muntinga als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.