Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AE1742

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
20-03-2002
Datum publicatie
07-06-2002
Zaaknummer
WAHV 01-00427
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 12
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 20d
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2002, 316 met annotatie van A.M.L. Jansen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 01/00427

20 maart 2002

CJIB 28817513

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter te Utrecht

van 19 maart 2001

betreffende

[betrokkene]

(hierna te noemen: betrokkene),

gevestigd te [plaatsnaam]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Utrecht ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Art. 12, eerste lid, WAHV, voor zover hier van belang, luidt als volgt:

De kantonrechter stelt, alvorens te beslissen, partijen in de gelegenheid om (...) op een openbare zitting hun zienswijze nader toe te lichten. Zij worden daartoe door de griffier opgeroepen. De oproep aan degene die het beroep heeft ingesteld wordt gericht aan het in het beroepschrift vermelde adres.

3.2. De betrokkene voert aan dat zij de oproeping voor de zitting van de kantonrechter van 5 maart 2001 niet heeft ontvangen en daardoor niet aanwezig heeft kunnen zijn om tijdens de behandeling haar standpunten te verdedigen.

3.3. Bij de stukken van het geding bevindt zich een afschrift van een oproeping van de betrokkene voor de zitting van 5 maart 2001. Deze oproeping is gedateerd 30 januari 2001 en vermeldt als adres van betrokkene: [adres], [plaatsnaam] Het door de betrokkene in haar beroepschrift van 16 februari 2000 opgegeven adres luidt echter: [ander adres], [plaatsnaam] Tevens heeft de betrokkene hierin een postbus opgegeven: [postbusnummer], [plaatsnaam] Blijkens het proces-verbaal van de zitting van 5 maart 2001 is de betrokkene aldaar niet verschenen.

3.4. Nu de oproeping voor de zitting van 5 maart 2001 noch is gericht aan het door de betrokkene in haar beroepschrift opgegeven adres, noch aan de door de betrokkene in haar beroepschrift opgegeven postbus, is aannemelijk geworden dat zij de oproeping niet heeft ontvangen.

3.5. Gelet op het vorenoverwogene is de betrokkene niet behoorlijk opgeroepen en is derhalve art. 12, eerste lid, WAHV geschonden. Nu de rechter niettemin een beslissing in de zaak heeft genomen, is sprake van schending van het beginsel van hoor en wederhoor. Dit is een fundamenteel beginsel van behoorlijke rechtspleging en derhalve zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen.

3.6. Het vorenoverwogene brengt met zich mee dat het hof met vernietiging van de bestreden beslissing van de kantonrechter de zaak zou moeten terugwijzen naar de rechtbank ter behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest.

3.7. Niettemin zal het hof de zaak niet terugwijzen. Uit de stukken is namelijk gebleken dat de inleidende beschikking op 26 september 1999 aan de betrokkene is verzonden en dat tussen dit tijdstip en het tijdstip waarop het beroep van de betrokkene bij het hof wordt behandeld een periode van ruim 29 maanden is verlopen. Nu uit de stukken niet blijkt van bijzondere omstandigheden die dit lange tijdsverloop kunnen rechtvaardigen moet worden geoordeeld dat het recht van de betrokkene op behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is geschonden. Derhalve zal het hof de zaak zelf afdoen in voege als na vermeld.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie van 28 januari 2000, alsmede de beschikking waarbij onder CJIB-nr. 28817513 de administratieve sanctie is opgelegd;

bepaalt dat een bedrag van € 81,68 door de advocaat-generaal aan de betrokkene wordt gerestitueerd, welk bedrag overeenkomt met een bedrag van fl 180,-- dat door de betrokkene op de voet van art. 11 WAHV tot zekerheid is gesteld.

Dit arrest is gewezen door mrs. Kalsbeek, Huisman en Van Dijk in tegenwoordigheid van mr. Muntinga als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.