Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AE1740

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
27-03-2002
Datum publicatie
07-06-2002
Zaaknummer
WAHV 01-00566
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 10:10
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 3
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 4
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 13
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 14
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 20d
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2002, 292 met annotatie van O.J.D.M.L. Jansen
VR 2002, 189
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 01/00566

27 maart 2002

CJIB 34656250

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter te Bergen op Zoom

van 5 juli 2001

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

gevestigd te [woonplaats]

voor wie als gemachtigde optreedt M.J.G. Schroeder, wonende te Rotterdam.

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Middelburg ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Daarbij heeft de gemachtigde het verzoek gedaan de advocaat-generaal te veroordelen in de proceskosten.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 14 WAHV (oud) kan tegen de beslissing van het kantongerecht hoger beroep bij het gerechtshof te Leeuwarden worden ingesteld, indien de opgelegde administratieve sanctie bij die beslissing meer bedraagt dan ƒ 150,--, of indien de betrokkene niet-ontvankelijk is verklaard wegens het niet of niet tijdig stellen van zekerheid als bedoeld in art. 11, derde lid, WAHV. De aan de betrokkene opgelegde sanctie bedraagt ƒ 60,--.

3.2. De betrokkene klaagt erover, zakelijk weergegeven, dat de kantonrechter buiten het toepassingsbereik van art. 13 WAHV is getreden dan wel zodanige essentiële vormen niet in acht heeft genomen, dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling niet kan worden gesproken. Daartoe voert de betrokkene aan dat de kantonrechter zijn beslissing uitsluitend heeft gebaseerd op ingetrokken regelgeving, nadat de betrokkene de kantonrechter expliciet heeft gewezen op het intrekkingsbesluit. De betrokkene stelt dat hij op deze grond dient te worden ontvangen in het hoger beroep.

3.3. De beslissing van de kantonrechter houdt in: "Niet in geding is dat de geconstateerde gedraging heeft plaatsgevonden en door een daartoe bevoegde ambtenaar werd vastgesteld. In het stelsel van de WAHV ligt de bevoegdheid tot het opleggen van de administratieve sanctie bij de daartoe aangewezen ambtenaar die de gedraging vaststelde. Niet is gesteld of gebleken dat de betrokken ambtenaar daartoe in dit geval niet bevoegd was. Die beschikking is vervolgens door het CJIB aan betrokkene toegezonden overeenkomstig het daartoe door de minister van justitie bij besluit van 4 mei 1994 (Staatscourant 92) vastgesteld model van beschikking in geval van (o.m.) constatering op kenteken. Het door de betrokkene gedane beroep op het ministeriële besluit van 18 december 1995 Staatscourant 245 strandt reeds omdat dit op modellen van andere beslissingen, aankondigingen en mededelingen ziet."

3.4. Betrokkenes stelling dat het door de kantonrechter in zijn overweging aangehaalde besluit van 4 mei 1994 (Stcrt. 1994, 92) bij besluit van 19 maart 1996 (Stcrt. 1996, 64) is ingetrokken, is juist.

3.5. Nu de inleidende beschikking voldoet aan het model dat is opgenomen in het in de onderhavige zaak van toepassing zijnde besluit "Vaststellingsregeling formulieren administratieve sanctie overtreding verkeersvoorschrift" van 19 maart 1996 (Stcrt. 1996, 64), voorts de inleidende beschikking moet worden beschouwd als de administratieve verwerking van de aankondiging van de beschikking waarvan het model eveneens op de voet van art. 4, eerste lid, WAHV bij ministeriële regeling, te weten het besluit van 1 december 1995 (Stcrt. 1995, 245), is vastgesteld, en tenslotte de aankondiging afkomstig is van een ingevolge art. 3, eerste lid, WAHV aangewezen ambtenaar en derhalve als bestuursorgaan bevoegd genomen, kan de inleidende beschikking niet gelden als een krachtens mandaat genomen besluit als bedoeld in art. 10:10 Awb.

3.6. In voormelde omstandigheden kan niet worden gezegd dat de kantonrechter is getreden buiten het toepassingsgebied van art. 13 WAHV dan wel dat de kantonrechter zo fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging heeft geschonden dat geen sprake is van een eerlijke en onpartijdige behandeling. Voor een doorbreking van het appelverbod van art. 14, eerste lid, WAHV is derhalve geen plaats.

3.7. Op grond van het bovenstaande dient de betrokkene niet-ontvankelijk te worden verklaard in het hoger beroep. Daaruit vloeit voort dat het verzoek tot vergoeding van proceskosten dient te worden afgewezen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk in het hoger beroep.

wijst af het verzoek tot vergoeding proceskosten.

Dit arrest is gewezen door mrs. Kalsbeek, Huisman en Van Dijk, in tegenwoordigheid van mr. Vlietstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.