Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AE1181

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
06-03-2002
Datum publicatie
07-06-2002
Zaaknummer
WAHV 01-00629
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 13
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 20d
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2002, 293 met annotatie van O.J.D.M.L. Jansen
VR 2002, 150 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 01/00629

6 maart 2002

CJIB 30744535

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter te Amsterdam

van 10 mei 2001

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

gevestigd te [woonplaats]

voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde]

wonende te [woonplaats]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 14 WAHV kan tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep bij het gerechtshof te Leeuwarden worden ingesteld, indien de opgelegde administratieve sanctie bij die beslissing meer bedraagt dan ƒ 150,-, of indien de betrokkene niet-ontvankelijk is verklaard wegens het niet of niet tijdig stellen van zekerheid als bedoeld in art. 11, derde lid, WAHV. De aan de betrokkene opgelegde sanctie bedraagt ƒ 60,-.

3.2. Het beroepschrift strekt ten betoge dat de zaak, nadat bij de kantonrechter beroep tegen de beslissing van de officier van justitie is ingesteld, dermate lang bij de officier van justitie heeft gelegen, alvorens deze de zaak aan de kantonrechter heeft voorgelegd, dat dit in strijd is met de redelijke termijn die daar voor staat. De betrokkene wijst in dit verband op zijn brief van 21 maart 2001 aan de officier van justitie, die volgens hem door de officier van justitie niet aan de kantonrechter zou zijn toegezonden.

3.3. Het hof is van oordeel dat (een beroep op) schending van zo fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging dat geen sprake is van een eerlijke en onpartijdige behandeling, doorbreking van het appelverbod van art. 14, eerste lid, WAHV wettigt. Indien de officier van justitie de kantonrechter een bepaald gedingstuk onthoudt, kan er naar het oordeel van het hof sprake zijn van schending van een fundamenteel beginsel van behoorlijke rechtspleging.

3.4. Met de door de betrokkene genoemde brief van 21 maart 2001 zal - naar het hof aanneemt - de brief van de betrokkene aan de officier van justitie te Amsterdam van 12 maart 2001 worden bedoeld. Deze kent immers de inhoud zoals door de betrokkene in zijn correspondentie met de kantonrechter is aangegeven, terwijl die brief van 12 maart 2001 (en niet de brief van 21 maart 2001) daarbij ook is overgelegd. Een exemplaar van deze brief bevindt zich bij de door de griffier van het kantongerecht aan het hof toegezonden gedingstukken, terwijl daarop stempels zijn geplaatst waaruit blijkt dat de brief op 13 maart 2001 ten parkette van de officier van justitie en op 21 maart 2001 ter griffie van het kantongerecht is ontvangen. Derhalve moet het ervoor worden gehouden dat de kantonrechter alvorens te beslissen de beschikking over dit stuk heeft gehad. Het verweer van de betrokkene dat de officier van justitie voormelde brief niet aan de kantonrechter heeft voorgelegd, treft dus geen doel.

3.5. Ambtshalve overweegt het hof het volgende. Het proces-verbaal van de zitting van 10 mei 2001 houdt in dat het beroep is behandeld door mr. E. van Diepen, kantonrechter-plaatsvervanger te Amsterdam. Het afschrift van de aantekening in het proces-verbaal van de openbare zitting van 10 mei 2001 houdt evenwel in dat mr. J. Westhoff, kantonrechter te Amsterdam, op het beroep heeft beslist. De eisen van een behoorlijke procesvoering brengen mede dat alleen een rechter, die aan het gehele onderzoek ter zitting heeft deelgenomen, aan de beslissing medewerkt (vgl. HR 11 juni 1974, NJ 1974/482). Nu het ervoor moet worden gehouden dat hieraan niet is voldaan, dient de betrokkene in het hoger beroep te worden ontvangen. Tevens brengt voorgaande mede, dat de beslissing van de kantonrechter niet in stand kan blijven.

3.6. Tussen het tijdstip waarop de betrokkene de inleidende beschikking is toegestuurd, te weten 28 december 1999, en het tijdstip waarop het beroep van de betrokkene bij het hof wordt behandeld is een periode van 26 maanden verlopen. Nu uit de stukken niet blijkt van bijzondere omstandigheden die dit lange tijdsverloop - het hof wijst in dit verband met name op de lange periode van inactiviteit tussen het verzenden van de eerste en de tweede mededeling van de officier van justitie omtrent zekerheidstelling - kunnen rechtvaardigen, moet worden geoordeeld dat het recht van de betrokkene op behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is geschonden. Bedoelde termijn is zodanig overschreden dat de inleidende beschikking dient te worden vernietigd.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie d.d. 21 maart 2000, alsmede de beschikking waarbij onder CJIB-nr. 30744535 de administratieve sanctie is opgelegd;

bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van art. 11 WAHV tot zekerheid is gesteld, te weten een bedrag van fl 60,- (= €Euro 27,23), door de advocaat-generaal aan haar wordt gerestitueerd.

Dit arrest is gewezen door mrs Huisman, Kalsbeek en Van Dijk, in tegenwoordigheid van mr Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.