Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AE1134

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
13-03-2002
Datum publicatie
07-06-2002
Zaaknummer
WAHV 01-00428
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:7
Algemene wet bestuursrecht 6:8
Algemene wet bestuursrecht 6:11
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 6
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 20d
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2002, 153
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 01/00428

13 maart 2002

CJIB 36599505

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

Op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter te 's-Gravenhage

van 9 augustus 2001

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te 's[woonplaats]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement 's-Gravenhage ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen, maar heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

Het hof heeft op 3 december 2001 een brief verstuurd aan de betrokkene met daarin het verzoek om aanvullende informatie.

De betrokkene heeft op 17 december 2001 de aanvullende informatie ingediend.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld om een reactie te geven op de aanvullende informatie. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie, waarbij deze de betrokkene niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar beroep, ongegrond heeft verklaard.

3.2. Ingevolge het in art. 6, eerste lid, WAHV in verbinding met het in art. 6:7 en 6:8 Awb bepaalde dient het beroep bij de officier van justitie tegen de opgelegde beschikking te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen een termijn van zes weken, welke termijn aanvangt op de dag na die waarop de beschikking op de voorgeschreven wijze aan de betrokkene bekend is gemaakt.

3.3. De inleidende beschikking is volgens het zaakoverzicht op 3 oktober 2000 aan de betrokkene toegezonden. Het beroepschrift is gelet op het zaakoverzicht van het CJIB op 21 december 2000 door de officier van justitie ontvangen. Derhalve is het beroep niet tijdig ingediend.

3.4. Het te dezen toepasselijke art. 6:11 Awb bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

3.5. De betrokkene stelt zich - zo begrijpt het hof haar beroepschrift - op het standpunt dat zij niet in verzuim is geweest. In dit verband voert zij aan dat zowel de beschikking met het CJIB nummer 36599505 - waarop dit beroep betrekking heeft - als de beschikking met het CJIB nummer 36599161, beide gedagtekend 3 oktober 2000, vrijwel direct na ontvangst verloren is gegaan. Na de constatering hiervan heeft zij het CJIB eind oktober 2000 mondeling verzocht haar een kopie van de beschikking toe te sturen. Hierna heeft zij dit ook schriftelijk verzocht. Het CJIB heeft de betrokkene vervolgens niet een kopie van de beschikkingen toegezonden, maar een brief, gedateerd 21 november 2000, met - voor zover hier van belang - de volgende mededelingen:

- "De gegevens die van belang zijn om een beroep te kunnen instellen bij de officier van justitie bij het arrondissementsparket te 's-Gravenhage zijn de volgende."

- "Met de officier van justitie is afgesproken dat, wanneer u een kopie van dit schrijven voegt bij uw ingesteld beroep, dit voldoende is om het beroep in behandeling te nemen.".

De betrokkene voert aan dat zij uit bovenstaande mededelingen van het CJIB heeft afgeleid dat op grond van een afspraak tussen de officier van justitie en het CJIB de uiterste beroepsdatum naar een later tijdstip was verschoven.

3.6. De betrokkene heeft het vertrouwen dat zij alsnog tijdig beroep zou kunnen instellen ontleend aan de brief van 21 november 2000 van het CJIB waarvan zij eerst na afloop van de beroepstermijn kennis heeft genomen. Dit vertrouwen kan niet bewerkstelligen dat een inmiddels plaatsgehad hebbende niet-verschoonbare termijnoverschrijding alsnog verschoonbaar wordt (HR 22 november 2000, JB 2000, 343). Daaraan doet niet af dat de kantonrechter blijkens het proces-verbaal van de zitting van 5 juli 2001 in de zaak met het CJIB nummer 36599161 kennelijk aan de termijnoverschrijding voorbij is gegaan. Het zou immers onaanvaardbaar zijn indien ten aanzien van de betrokkene een eenmaal gemaakte fout zou moeten worden herhaald (HR 21 maart 1995, VR 1995, 181).

3.7. Na het voorgaande kan in het midden blijven of de betrokkene uit de mededelingen van het CJIB heeft kunnen afleiden dat op grond van een afspraak tussen de officier van justitie en het CJIB de uiterste beroepsdatum naar een later tijdstip was verschoven.

3.8. Het hof zal derhalve de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mrs. Vellinga, Huisman en Van Dijk, in tegenwoordigheid van mr. Muntinga als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.