Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AE0764

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
22-03-2002
Datum publicatie
27-03-2002
Zaaknummer
BK 364/01
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2002/19.1.2
FutD 2002-0724
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 364/01 22 maart 2002

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, tweede enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van mevrouw X te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid Ondernemingen van de belastingdienst te Groningen (: de inspecteur) gedaan op het bezwaar van de belanghebbende tegen de haar opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1997.

1. Ontstaan en loop van het geding

Belanghebbende werd voor het jaar 1997 in de inkomstenbelastingpremie/premie volksverzekeringen bij wege van een navorderingsaanslag aangeslagen naar een belastbaar inkomen als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964, gelijk deze wet voor het onderhavige jaar gold, (hierna te noemen: de Wet) van ƒ 95.321, -.

Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 6 april 2001 de navorderingsaanslag gehandhaafd. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld door middel van een pro forma beroepschrift, dat op 15 mei 2001 bij het hof is ingekomen. De motivering van het beroep (met bijlagen) is op 11 juni 2001 bij het hof ingekomen.

Nadat de inspecteur zijn verweerschrift (met bijlagen) heeft ingezonden, heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 13 november 2001, gehouden te Groningen, alwaar aanwezig waren belanghebbende, bijgestaan door mevrouw mr. A, en de inspecteur.

Het hof heeft in deze zaak op 27 november 2001 in het openbaar mondeling uitspraak gedaan, waarvan het proces-verbaal bij aangetekend schrijven, ter post bezorgd op 3 december 2001, aan partijen is verzonden.

Bij schrijven ingekomen op 28 december 2001 heeft belanghebbende op de wijze als bedoeld in artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen verzocht vorenbedoelde uitspraak te vervangen door een schriftelijke. De griffier heeft belanghebbende gewezen op het daartoe verschuldigde griffierecht ad € 36, - en belanghebbende heeft vervolgens op 14 februari 2002 dat griffierecht voldaan.

Van alle vermelde (en hierna nog te vermelden) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.1 Belanghebbende deed op 25 februari 1999 (in de mondelinge uitspraak is abusievelijk 24 februari 1999 vermeld) aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1997. In de begeleidende brief van 24 februari 1999 is melding gemaakt dat het bedrag aan persoonlijk inkomen van de heer B in de aangifte berust op een schatting. Belanghebbende beschikte namelijk niet over de definitieve inkomensgegevens van de heer B, de voormalige echtgenoot van belanghebbende. Zij heeft in haar aangifte de negatieve inkomsten uit de eigen woning in aanmerking genomen, aangezien zij veronderstelde dat zij over 1997 een hoger persoonlijk inkomen had genoten dan haar voormalige echtgenoot. Dit geldt ook voor de in 1997 ontvangen en betaalde rente. In een telefoongesprek van maart 1999 heeft belanghebbende de heer C van de belastingdienst op de hoogte gebracht van de achtergrond van de brief van 24 februari 1999 en verzocht de aangifte spoedig af te wikkelen. Op 19 april 1999 werd de definitieve aanslag over 1997 opgelegd. Deze aanslag was conform de aangifte.

2.2 In maart 1998 heeft belanghebbende haar aangifte over 1998 ingediend, welke tevens was voorzien van een begeleidend schrijven. In dit schrijven heeft belanghebbende vermeld dat zij ervan uitgegaan is dat zij over 1998 een hoger persoonlijk inkomen heeft dan de heer B. Verder gaf zij opnieuw aan niet te beschikken over de inkomengegevens van de heer B. Belanghebbende neemt ook in deze aangifte de negatieve inkomsten uit de eigen woning bij de berekening van haar belastbaar inkomen in aanmerking. Dit geldt ook voor de in 1998 ontvangen en betaalde rente. De inspecteur legde op 11 mei 1999 en op 23 juni 1999 respectievelijk de voorlopige aanslag over 1998 en de definitieve aanslag over 1998 op. Deze aanslagen waren overeenkomstig de aangifte.

2.3 Op basis van de door de heer B ingediende aangifte over het jaar 1997 is door de inspecteur geconstateerd dat niet belanghebbende, maar haar voormalige echtgenoot over 1997 het hoogst persoonlijke inkomen heeft genoten. Derhalve heeft de inspecteur op 24 november 2000 aan belanghebbende een navorderingsaanslag over het jaar 1997 ter zake van de negatieve inkomsten uit de eigen woning en de in 1997 betaalde en ontvangen rente opgelegd, aangezien belanghebbende deze inkomensbestanddelen ten onrechte in haar belastbaar inkomen in aanmerking had genomen.

3. Het geschil en de standpunten van partijen

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of de inspecteur terecht de onderhavige navorderingsaanslag heeft opgelegd.

3.2 Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend. Zij voert hiervoor het volgende aan: de handelwijze van de inspecteur ter zake van de voorlopige aanslag 1998 en de definitieve aanslagen 1997 en 1998 heeft bij haar het in rechte te honoreren vertrouwen gewekt dat navordering over het jaar 1997 ter zake van de negatieve inkomsten uit de eigen woning en ter zake van de in 1997 ontvangen en betaalde rente zou uitblijven. De voormelde handelwijze van de inspecteur heeft bij haar het vertrouwen gewekt dat zij in het jaar 1997 het hoogst persoonlijke inkomen zou hebben genoten en dat het hoofdstuk 1997 als gesloten kon worden beschouwd. Belanghebbende verwachtte dat de inspecteur haar een definitieve aanslag over 1997 zou opleggen indien vaststond wie het hoogst persoonlijke inkomen had genoten.

3.3 De inspecteur stelt zich op het standpunt dat artikel 16, tweede lid, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (: AWR) hem in casu de bevoegdheid geeft na te vorderen. Zijn handelwijze kan zijns inziens niet een in rechte te beschermen vertrouwen hebben gewekt dat navordering zou uitblijven.

3.4 Voor een uitgebreidere weergave van de standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken. Partijen hebben ter zitting hun onderscheidene standpunten gehandhaafd, zonder daartoe overigens nadere gronden te hebben aangevoerd.

3.5 De hoogte van het belastbaar inkomen in de navorderingsaanslag is geen object van geschil. Dit geldt ook voor de vraag wie daadwerkelijk het hoogst persoonlijke inkomen heeft genoten in het jaar 1997, namelijk de heer B.

4. Rechtsoverwegingen

4.1 Artikel 16, eerste lid, van de AWR bepaalt onder meer dat indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld de inspecteur de te weinig geheven belasting kan navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor een navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. In artikel 16, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van de AWR is bepaald dat navordering mede kan plaatsvinden in alle gevallen waarin te weinig belasting is geheven, doordat een bij de belastingplichtige in aanmerking te nemen bestanddeel van het voorwerp van enige belasting ten onrechte in aanmerking is genomen bij haar. Vaststaat dat de (negatieve) inkomsten uit eigen woning over 1997 ten onrechte in de berekening van het belastbare inkomen van belanghebbende in aanmerking zijn genomen. Navordering kan derhalve zonder het vereiste van een nieuw feit plaatsvinden.

4.2 Belanghebbende stelt dat de inspecteur door zijn handelwijze met betrekking tot de aanslagen bij haar een in rechte te honoreren vertrouwen heeft gewekt dat navordering achterwege zou blijven. Deze handelwijze bestaat uit het korte tijdsbestek, waarin de voorlopige aanslag over 1998 en definitieve aanslagen over 1997 en 1998 zonder vragen van de inspecteur conform de aangiften zijn opgelegd. Tevens maakt het achterwege laten van een voorlopige aanslag over 1997 onderdeel uit van deze handelwijze. Gezien het bepaalde in artikel 16, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van de AWR kunnen naar het oordeel van het hof conform de aangifte opgelegde voorlopige en definitieve aanslagen niet het gerechtvaardigde vertrouwen wekken dat navorderingsaanslagen uitblijven, behoudens bijzondere omstandigheden. Bijzondere omstandigheden acht het hof niet aanwezig. Het achterwege laten van een voorlopige aanslag over 1997 en van het stellen van nadere vragen zijn hiervoor onvoldoende. Het door belanghebbende geopperde korte tijdsbestek neemt het hof niet mee nu belanghebbende heeft verzocht om een spoedige afwikkeling van de aangifte en de consequenties van dat verzoek voor haar rekening dienen te blijven.

4.3 Het beroep van belanghebbende treft geen doel.

4.4 Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. De beslissing

Het hof verklaart het beroep ongegrond.

Gedaan op 22 maart 2002 door mr. Pruiksma, vice-president, in tegenwoordigheid van mr. De Jong-Braaksma als griffier en ondertekend door voornoemde vice-president en door voornoemde griffier.

Op 27 maart 2002 afschrift

aangetekend verzonden aan beide

partijen.

De griffier van het Gerechtshof

te Leeuwarden.