Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AE0608

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
30-01-2002
Datum publicatie
07-06-2002
Zaaknummer
WAHV 01-00236
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 10, geldigheid: 2002-01-30
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 11, geldigheid: 2002-01-30
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 12, geldigheid: 2002-01-30
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 13, geldigheid: 2002-01-30
Wet op de rechterlijke indeling 2, geldigheid: 2002-01-30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2002, 305
VR 2002, 88

Uitspraak

WAHV 01/00236

30 januari 2002

CJIB 33194305

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter te Zevenbergen

van 9 april 2001

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Breda niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen, maar heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. In hoger beroep is niet bestreden, dat de betrokkene niet binnen de in art. 11, derde lid, WAHV gestelde termijn zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de opgelegde administratieve sanctie en evenmin dat de betrokkene dit verzuim niet binnen een nader gestelde termijn heeft hersteld.

3.2. De betrokkene voert aan, dat de kantonrechter te Zevenbergen niet bevoegd is kennis te nemen van zijn beroepschrift.

3.3.1. Art. 10 WAHV bepaalt voor zover hier van belang dat de officier van justitie het beroepschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken ter kennis brengt van het kantongerecht binnen wiens rechtsgebied de gedraging is verricht.

3.3.2. Blijkens de gedingstukken is de gedraging op 1 april 2000 verricht op de Achterdijk 308 te Zevenbergen in de gemeente Moerdijk.

3.3.3. Op 1 april 1998 is de naam van de gemeente Zevenbergen gewijzigd in gemeente Moerdijk. Tot deze gemeente behoort onder meer Zevenbergen.

3.3.4. Ingevolge art. 2 van de Wet op de rechterlijke indeling, zoals deze bepaling luidde van 19 juni 1998 tot en met 30 april 2001, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, strekt het rechtsgebied van het kantongerecht te Zevenbergen zich uit over de gemeenten Etten-Leur, Halderberge, Rucphen en Zevenbergen.

3.3.5. Nu de wetgever in het opheffen van de gemeente Zevenbergen per 1 januari 1998 geen aanleiding heeft gezien art. 2 van de Wet op de rechterlijke indeling te wijzigen, moet die bepaling kennelijk aldus worden verstaan, dat die opheffing niet tot wijziging van de bevoegdheid van het kantongerecht Zevenbergen heeft geleid. Derhalve moet art. 2 van voormelde wet aldus worden verstaan, dat voor de bevoegdheid van de kantonrechter bepalend is of de gedraging heeft plaatsgevonden in het gebied dat behoorde tot de (voormalige) gemeente Zevenbergen. Nu de gedraging heeft plaatsgevonden op het grondgebied welke tot het rechtsgebied van het kantongerecht Zevenbergen behoorde, was het kantongerecht te Zevenbergen ten tijde van het instellen van beroep tegen de beslissing van de officier van justitie en ten tijde van het nemen van de beslissing bevoegd te oordelen over het onderhavige beroep. Het verweer van de betrokkene treft derhalve geen doel.

3.4. De betrokkene voert verder aan, dat de bestreden beslissing niet in het openbaar is uitgesproken.

3.5. De beslissing van de kantonrechter houdt in dat deze is gegeven en in het openbaar is uitgesproken door mr J.J. Minnaar, kantonrechter, op 9 april 2001 in tegenwoordigheid van J.A.J. van den Boom, griffier. Deze grief van de betrokkene treft derhalve evenmin doel.

3.6. De betrokkene voert tenslotte aan, dat er geen proces-verbaal is opgemaakt van de openbare zitting.

3.7. Het verweer van de betrokkene moet aldus worden opgevat dat het beroep ten onrechte niet ter zitting van de kantonrechter is behandeld. Uit het systeem van de wet, zoals dat besloten ligt in de art. 11, leden 3 en 4, 12, lid 1en 13, lid 1, WAHV, volgt, dat in geval van het niet of niet tijdig stellen van zekerheid de kantonrechter op het beroep kan beslissen zonder de betrokkene te horen (vgl. HR 3 maart 1992, VR 1992, 68).

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mrs Vellinga, Huisman en Van Dijk, in tegenwoordigheid van mr Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.