Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AD9972

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
08-03-2002
Datum publicatie
08-03-2002
Zaaknummer
BK 203/01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2006:AU3116
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2006:AU3116
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK Kenmerk: 203/01 8 maart 2002

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, vierde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van X te Zl tegen de uitspraak van de heffingsambtenaar van het waterschap Reest en Wieden (: de heffingsambtenaar) gedaan op het bezwaarschrift van de belanghebbende tegen de aan hem over het jaar 2001 opgelegde aanslag in de verontreinigingsheffing.

1. Ontstaan en loop van het geding.

Aan belanghebbende werd voor het jaar 2001 door de heffingsambtenaar een aanslag in de verontreinigingsheffing opgelegd tot een bedrag van f. 387,36 op basis van 3 vervuilingseenheden.

Op het tijdig door belanghebbende tegen die aanslag ingediende bezwaarschrift heeft de heffingsambtenaar op 19 februari 2001 uitspraak gedaan, waarbij het bezwaar ongegrond werd verklaard en de aanslag werd gehandhaafd.

Tegen die uitspraak is namens belanghebbende een beroepschrift ingediend, ter griffie ingekomen op 16 maart 2001, en aangevuld bij brieven (met bijlagen) welke ter griffie zijn ingekomen op respectievelijk 12 april 2001, 14 mei 2001 en 11 juni 2001.

Nadat het bestuur een verweerschrift had ingediend heeft ter terechtzitting van 27 november 2001, gehouden te Assen, de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Aldaar verschenen de gemachtigde van belanghebbende vergezeld van belanghebbende, alsmede namens de heffingsambtenaar dhr. A en dhr. B.

Ter zitting zijn door beide partijen pleitnota's (met bijlagen) voorgedragen en overgelegd.

De inhoud van alle voormelde (en hierna te noemen) stukken geldt als hier herhaald en ingelast.

Het gerechtshof heeft op 11 december 2001 mondeling uitspraak gedaan; afschriften van het daarvan opgemaakte proces-verbaal zijn op 21 december 2001 per aangetekende brief aan de partijen verzon-den.

Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

Op 7 januari 2002 is bij het gerechtshof een verzoek, als bedoeld in artikel 27d, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, van de belanghebbende ingekomen om de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke.

Het door de belanghebbende verschuldigde griffierecht is op 25 januari 2002 voldaan.

2. De feiten.

Op grond van de gedingstukken en het ter zitting verhandelde staat tussen de partijen als niet, dan wel onvoldoende weersproken het volgende vast:

2.1. Belanghebbende is op grond van artikel 16, lid 1, van de Heffingsverordening Waterkwaliteit waterschap Reest en Wieden 2001 (: de Verordening) voor het jaar 2001 aangeslagen voor een bedrag van f. 387,36, op basis van 3 vervuilingseenheden. Zijn huishouden bestaat uit twee personen.

2.2. Het waterschap Reest en Wieden heeft in 2001 aan twee grote bedrijven subsidies verstrekt op basis van artikel 27, lid 1, letter d, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (tekst 2001; hierna: Wvo).

3. Het geschil.

In geschil is de rechtsgrond van de aanslag. De belanghebbende voert een aantal grieven met betrekking tot het tarief aan. Voorts is de

belanghebbende van mening dat in zijn geval de verontreinigingsheffing naar twee vervuilingseenheden moet worden berekend. De heffingsambtenaar bestrijdt belanghebbendes grieven.

4. De overwegingen omtrent het geschil:

4.1. Nu naar 's Hofs oordeel niet gebleken is dat aan de wijze waarop de begroting voor het jaar 2001 en de Verordening zijn vastgesteld gebreken kleven die tot een (partiële) onverbindendheid of zelfs nietigheid ervan zouden moeten leiden, dient de materiële rechtskracht van de Verordening uitgangspunt te zijn bij de beoordeling van het beroep.

4.2. In zoverre heeft dan te gelden dat de Verordening als vrucht van wetgevende arbeid van de wetgever in materiële zin (het algemeen bestuur van het waterschap) wat het daarin opgenomen tarief betreft, slechts ter beoordeling aan de belastingrechter staat voor zover sprake is van een willekeurige of onredelijke belastingheffing die de wetgever niet op het oog kan hebben gehad. Daarvan is het gerechtshof niet gebleken. In dit verband merkt het gerechtshof op dat de tarieven zijn gebaseerd op de door het algemeen bestuur vastgestelde begroting. De wijze waarop de door het waterschap verkregen gelden worden besteed kan niet aan het oordeel van de belastingrechter worden onderworpen.

4.3. De door de belanghebbende geponeerde stelling inhoudende dat de onder 2.2. genoemde subsidieverlening in strijd is met Europese regelgeving kan - wat hier ook van zij - in de onderhavige procedure niet aan het oordeel van de belastingrechter worden onderworpen, nu het gerechtshof slechts heeft te oordelen over de rechtmatigheid van de onderhavige aanslag. In dit verband merkt het hof op dat de heffingsambtenaar onweersproken heeft gesteld dat de bedoelde

subsidies juist gegeven zijn om het tarief zo laag mogelijk te houden door te voorkomen dat de bedoelde bedrijven zouden afhaken.

4.4. Met betrekking tot belanghebbendes stelling dat voor zijn aanslag het aantal vervuilingseenheden op twee moet worden gesteld geldt het volgende. Ingevolge artikel 16, lid 1, van de Verordening is de vervuilingswaarde van een woonruimte drie vervuilingseenheden indien die woonruimte wordt gebruikt door meer dan één persoon. Dit artikel is gebaseerd op artikel 21, eerste lid, van de Wvo, waarin als uitgangspunt is vastgelegd dat de vervuilingswaarde van de stoffen die vanuit een woonruimte worden afgevoerd, wordt gesteld op een gelijk aantal vervuilingseenheden per woonruimte, met dien verstande dat dit aantal ten hoogste drie bedraagt. De Verordening is op dit punt niet in strijd met de Wvo.

4.5. Het is het gerechtshof niet gebleken dat de Verordening in strijd is met of dat door de heffingsambtenaar is gehandeld in strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.

4.6. Gelet op het voorgaande kunnen belanghebbendes grieven niet leiden tot vernietiging van de bestreden uitspraak en is het gelijk aan de zijde van de heffingsambtenaar.

5. De conclusie

Het hof acht het beroep ongegrond.

6. De proceskosten

Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroorde-ling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. De beslissing

Het gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld op 8 maart 2002 door mr. Huiskes, raadsheer, lid van de vierde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van de griffier, dhr. Gerrits en op die dag in het openbaar uitgesproken.

Op 8 maart 2002 afschrift

aangetekend verzonden aan beide

partijen.

De griffier van het gerechtshof

te Leeuwarden.