Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AD9913

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
06-03-2002
Datum publicatie
07-03-2002
Zaaknummer
rekestnummer 0100332
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 6 maart 2002

Rekestnummer 0100332

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

beschikking in de zaak van

[naam appellant],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna ook te noemen: de moeder,

toevoeging,

procureur mr Th. Kremers,

tegen

[naam geintimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna ook te noemen: [geïntimeerde],

niet verschenen.

Belanghebbenden

[naam bijzonder curator],

in zijn hoedanigheid van bijzonder curator over de minderjarigen

[naam minderjarige 1] en [naam minderjarige 2],

kantoorhoudende te Leeuwarden,

hierna ook te noemen: [bijzonder curator],

[partner van de moeder],

wonende te [woonplaats],

hierna ook te noemen: [partner van de moeder],

Stichting Jeugdbescherming Friesland,

gevestigd te Leeuwarden,

hierna ook te noemen: de gezinsvoogdij-instelling,

niet verschenen.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 1 augustus 2001 heeft de rechtbank te Leeuwarden afgewezen het verzoek van de moeder tot vernietiging van de erkenning door [geïntimeerde] van de minderjarigen [naam minderjarige 1], geboren op 16 december 1996, en [naam minderjarige 2], geboren op 19 mei 1999.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 1 oktober 2001, heeft de moeder verzocht de beschikking van 1 augustus 2001 te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te beslissen dat de erkenning van de minderjarige kinderen alsnog wordt vernietigd.

Bij schriftuur, ingekomen ter griffie op 30 oktober 2001, heeft [bijzonder curator] verzocht de moeder ontvankelijk te verklaren in het door haar ingestelde hoger beroep en het door de moeder in hoger beroep gedane verzoek toe te wijzen aldus, dat de beschikking waarvan beroep wordt vernietigd en er, opnieuw rechtdoende, wordt beslist dat de erkenning van de minderjarige kinderen alsnog wordt vernietigd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken.

Ter zitting van 7 februari 2002 is de zaak behandeld.

De beoordeling

Vaststaande feiten

1. Uit de relatie van de moeder en [partner van de moeder] zijn twee thans nog minderjarige kinderen geboren, te weten [minderjarige 1], geboren op 16 december 1996, en [minderjarige 2], geboren op 19 mei 1999.

2. [geïntimeerde] heeft [minderjarige 1] - op verzoek en met toestemming van de moeder - erkend op 18 december 1996.

[geïntimeerde] heeft [minderjarige 2] - op verzoek en met toestemming van de moeder - erkend op 20 mei 1999.

3. Sedert juli 1999 wonen de moeder en [partner van de moeder] samen en is uit hun relatie een derde kind geboren, dat door [partner van de moeder] - met toestemming van de moeder - is erkend. Het gezin van de moeder bestaat thans uit haarzelf, [partner van de moeder] en de drie kinderen.

4. [partner van de moeder] is de verwekker van alle drie kinderen, van wie [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn erkend door [geïntimeerde].

5. De moeder heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking d.d. 1 augustus 2001 van de rechtbank te Leeuwarden, waarbij haar verzoek tot vernietiging van de erkenning door [geïntimeerde] van de twee kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is afgewezen.

6. Ter onderbouwing van haar - in hoger beroep gedane - verzoek tot vernietiging van de erkennning beroept de moeder zich in de eerste plaats op artikel 1:205 lid 1 onder c BW.

Daarnaast heeft de moeder aan haar verzoek artikel 8 EVRM ten grondslag gelegd.

Artikel 1:205 lid 1 onder c BW

* dwaling

7. Gelet op de stukken en de behandeling ter zitting moet als vaststaand worden aangenomen dat de moeder destijds een erkenning door [partner van de moeder] als verwekker van de kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ongewenst achtte omdat zij er geen vertrouwen in had dat [partner van de moeder] in staat zou zijn een vaderrol voor de twee kinderen te vervullen.

De moeder heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] laten erkennen door [geïntimeerde], die niet de biologische vader van deze twee kinderen is.

8. De moeder stelt dat zij op het moment dat zij [geïntimeerde] toestemming tot erkenning gaf heeft gedwaald omtrent de opvoedkundige capaciteiten van [partner van de moeder].

Thans wenst de moeder dat de erkenning door [geïntimeerde] van de twee kinderen ongedaan wordt gemaakt omdat - anders dan voorheen - de moeder nu wel vertrouwen heeft in de capaciteiten van [partner van de moeder] ter vervulling van de vaderrol.

Na vernietiging van de door [geïntimeerde] gedane erkenningen kan - aldus de moeder - [partner van de moeder] met haar toestemming alsnog de kinderen erkennen.

9. In aanmerking genomen, dat de moeder niet heeft gedwaald omtrent de identiteit van de verwekker, nu zij van meet af aan heeft geweten, dat [partner van de moeder] de verwekker was van de kinderen en dat derhalve [geïntimeerde] niet de biologische vader was, is er geen sprake van dat de moeder door dwaling in de zin van artikel 1:205 lid 1 onder c BW is bewogen toestemming aan [geïntimeerde] tot erkenning van de twee kinderen te geven.

10. De omstandigheid, dat de moeder destijds geen vertrouwen had in de opvoedkundige capaciteiten van [partner van de moeder], doch dat zij nadien daarover anders is gaan denken, is geen dwaling in de zin van artikel 1:205 lid 1 onder c BW.

11. Het vorenstaande brengt mede, dat het verzoek van de moeder, voorzover het is gebaseerd op artikel 1:205 lid 1 onder c BW, niet toewijsbaar is.

artikel 8 EVRM

* family life

12. Uit de stukken en de behandeling ter zitting is het volgende gebleken.

De moeder en [partner van de moeder] hebben elkaar leren kennen in september 1994.

Uit de relatie van de moeder en [partner van de moeder] zijn de twee kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren, die erkend zijn door [geïntimeerde].

Ten tijde van de geboorte van [minderjarige 1] woonden de moeder en [partner van de moeder] niet samen, maar onderhielden zij wel contact.

Sedert vijf maanden na de geboorte van [minderjarige 1] zijn zowel de contacten tussen [partner van de moeder] en de moeder als de contacten tussen [partner van de moeder] en [minderjarige 1] intensiever geworden in die zin dat [partner van de moeder] hen steeds vaker bezocht en omgang had met [minderjarige 1].

[minderjarige 2] is ook door [geïntimeerde] erkend teneinde aldus te bewerkstelligen dat de twee kinderen dezelfde achternaam zouden krijgen, hetgeen de moeder sterk verlangde.

In juli 1999 zijn de moeder en [partner van de moeder] gaan samenwonen.

[partner van de moeder] maakt thans feitelijk deel uit van het gezin.

Uit de relatie van de moeder en [partner van de moeder] is een derde kind geboren, dat [partner van de moeder] - met toestemming van de moeder -heeft erkend.

[partner van de moeder] is als verwekker van de kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voornemens die kinderen te erkennen.

[partner van de moeder] is niet meer werkzaam als vrachtwagenchauffeur, doch hij heeft een nieuwe baan waardoor hij om vier uur 's middags thuis is en derhalve tijd en aandacht kan besteden aan de kinderen.

De moeder heeft nooit een relatie gehad met [geïntimeerde], de erkenner van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Tussen de moeder en [geïntimeerde] is sinds een aantal jaren geen contact meer.

Er is nimmer contact geweest tussen [geïntimeerde] en de door hem erkende kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2].

Voorts is gebleken dat alle betrokkenen het eens zijn met de vernietiging van de erkenning door [geïntimeerde] van de kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2].

13. Uit het vorenstaande leidt het hof af dat vanaf het moment dat de moeder en [partner van de moeder] een relatie hebben gekregen - in elk geval vanaf het moment dat [minderjarige 1] vijf maanden oud was - family life tussen de moeder, [partner van de moeder] en het kind [minderjarige 1] heeft bestaan en dat dit family life zich heeft uitgebreid tot het kind [minderjarige 2] en dat voorts dit family life in de loop der tijd - in ieder geval sedert juli 1999 - steeds intenser is geworden.

14. In aanmerking genomen dat het family life tussen de moeder, [partner van de moeder] en de thans inmiddels drie tot het gezin behorende kinderen steeds hechter is geworden, dat [partner van de moeder] de verwekker van de drie kinderen is en dat [geïntimeerde] als niet biologische vader/erkenner van de twee kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nimmer family life met deze twee kinderen heeft gehad en geen bezwaar maakt tegen vernietiging van de erkenningen, moet er in de gegeven omstandigheden van worden uitgegaan dat de moeder een rechtens te respecteren belang - bezien in het licht van artikel 8 EVRM - heeft tot ongedaanmaking van de erkenningen door [geïntimeerde] van [minderjarige 1] en [minderjarige 2], opdat [partner van de moeder], met wie zij en de kinderen in gezinsverband leven, als verwekker van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] deze twee kinderen met haar toestemming alsnog kan erkennen.

15. Het vorenstaande brengt mede dat het verzoek van de moeder tot vernietiging van de erkenning door [geïntimeerde] van de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2], voorzover dit verzoek is gebaseerd op artikel 8 EVRM, toewijsbaar is.

16. Het hof gaat er van uit dat de moeder - na vernietiging van de erkenning door [geïntimeerde] van de kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] - toestemming verleent aan [partner van de moeder] tot erkenning van die kinderen en dat [partner van de moeder] tot erkenning overgaat.

Slotsom

17. Op grond van het voorgaande dient de beschikking waarvan beroep te worden vernietigd en er zal opnieuw worden rechtgedaan zoals hieronder aangegeven.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep

en opnieuw beslissende:

vernietigt de erkenning door [geïntimeerde] van de minderjarigen [naam minderjarige 1], geboren op 16 december 1996, en [naam minderjarige 2], geboren op 19 mei 1999;

wijst af het meer of anders verzochte.

Aldus gegeven door mrs Boon, voorzitter, Wachter en Postma, raden, en uitgesproken door mr Mollema, fungerend-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Mellink als waarnemend griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 6 maart 2002.

Beschikking d.d. 6 maart 2002

Rekestnummer 0100332