Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AD9885

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
30-01-2002
Datum publicatie
07-06-2002
Zaaknummer
WAHV 01/00479
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 11, geldigheid: 2002-01-30
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 20, geldigheid: 2002-01-30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

WAHV 01/00479

30 januari 2002

CJIB 24222402

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter te Groningen

van 8 augustus 2001

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

gevestigd te [woonplaats].

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Groningen niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Ingevolge art. 11, eerste lid, (oud) WAHV wordt een bij de officier van justitie ingediend beroepschrift door deze aan het kantongerecht ter kennis gebracht binnen zes weken nadat de indiener zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de sanctie, dan wel de termijn daarvoor is verstreken.

Het derde lid van art. 11 WAHV houdt in dat:

- de zekerheid wordt gesteld bij het Centraal Justitieel Incassobureau te Leeuwarden (CJIB), hetzij door middel van de aan de betrokkene toegezonden acceptgiro, hetzij anderszins door storting op de rekening van het CJIB;

- de officier van justitie de indiener van het beroepschrift na de ontvangst ervan wijst op de verplichting tot zekerheidstelling en hem mededeelt dat de zekerheidstelling dient te geschieden binnen twee weken na de dag van verzending van deze mededeling;

- indien de zekerheidstelling niet binnen deze termijn is geschied het beroep door de kantonrechter niet-ontvankelijk wordt verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

3.2. Een redelijke uitleg van deze wetsbepaling brengt mee dat de voorgeschreven mededeling van de officier van justitie tenminste moet inhouden dat op grond van een wettelijk voorschrift (art. 11 WAHV) zekerheid dient te worden gesteld voor de betaling van de opgelegde sanctie en dat het bedrag van de zekerheidstelling gelijk is aan het bedrag van die sanctie, en voorts de wijze waarop en de termijn waarbinnen de zekerheid dient te worden gesteld, alsmede dat wanneer tijdige zekerheidstelling achterwege blijft het beroep door de kantonrechter niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Ten aanzien van die aan de betrokkene te verstrekken informatie kan niet worden volstaan met verwijzing naar hetgeen is vermeld op de achterzijde van de inleidende beschikking of de beslissing van de officier van justitie.

3.3. Op grond van de parlementaire geschiedenis van het huidige art. 11, derde lid, WAHV worden aangenomen dat ten aanzien van het vereiste van zekerheidstelling art. 6:6 Awb van toepassing is. Het beroep bij de kantonrechter kan dan ook pas niet-ontvankelijk worden verklaard wegens het niet tijdig voldoen aan de verplichting om zekerheid te stellen als bedoeld in art. 11, derde lid, WAHV als de betrokkene in de gelegenheid is gesteld het verzuim de zekerheid te voldoen te herstellen en hem, na indiening van het beroepschrift, omtrent die verplichting dus tweemaal een mededeling is gedaan.

3.4. Bij de stukken van het geding bevinden zich mededelingen omtrent de zekerheidstelling, te weten een brief van 7 juni 2001 en een brief van 22 juni 2001 van de officier van justitie aan de betrokkene. De eerstgenoemde brief kan echter niet worden aangemerkt als een mededeling als bedoeld in art. 11, derde lid, WAHV. In deze brief schrijft de officier van justitie het beroep pas aan de kantonrechter te zullen voorleggen als hij na de bestudering van de zaak niet tot vernietiging van de inleidende beschikking zou besluiten. De brief voldoet daardoor niet aan het bepaalde in art. 11, derde lid, WAHV, en wel omdat de brief door hetgeen de officier van justitie schrijft onzekerheid oproept met betrekking tot de noodzaak van het stellen van zekerheid. Dit brengt mee dat het in de bestreden beslissing liggend oordeel van de kantonrechter dat is voldaan aan voormeld wettelijk voorschrift niet juist is en het beroep dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard.

3.5. In beginsel dient, na terugwijzing van de zaak, de kantonrechter van de rechtbank te Groningen een nieuwe termijn te bepalen waarbinnen de betrokkene alsnog zekerheid als bedoeld in art. 11 WAHV kan stellen en moet daarvan aan de betrokkene door de griffier van de rechtbank mededeling worden gedaan met inachtneming van het hiervoor onder 3.1. en 3.2. overwogene.

3.6. Het hof acht echter het volgende van belang.

3.7. Bij de gedingstukken bevindt zich een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Flevoland waaruit blijkt dat de betrokkene op 21 februari 2001 is ontbonden waarbij zij is opgehouden te bestaan omdat geen bekende baten meer aanwezig zijn (art. 2:19, vierde lid, BW).

3.8. Gelet op het voorgaande stelt het hof de advocaat-generaal in de gelegenheid zich uit te laten over de vraag welke de gevolgen zijn van het niet (meer) bestaan van de betrokkene voor het optreden van de betrokkene in rechte, het stellen van zekerheid en het tenuitvoerleggen van de inleidende beschikking.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

stelt de advocaat-generaal in de gelegenheid binnen vier weken na de datum van dit arrest zich uit te laten in voege als voormeld.

Dit arrest is gewezen door mrs Vellinga, Huisman en Van Dijk, in tegenwoordigheid van mr Muntinga als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.