Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AD9876

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
01-03-2002
Datum publicatie
06-03-2002
Zaaknummer
BK 540/99
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2003:AI5686
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2002-0582
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 540/99 1 maart 2002

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, derde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van de heer X te Z (: belanghebbende) tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid Particulieren van de Belastingdienst te Groningen (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1997.

1. Ontstaan en loop van het geding

Belanghebbende werd voor het jaar 1997 in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen aangeslagen naar een belastbaar inkomen als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964, gelijk deze wet voor het onderhavige jaar gold, (hierna te noemen: de Wet) van ƒ 31.854, -. Belanghebbende heeft tegen deze aanslag tijdig bezwaar aangetekend. Op dit bezwaar heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 20 juli 1999 de aanslag gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een pro forma beroepschrift (met bijlage), hetwelk op 31 augustus 1999 is ingekomen. Op 29 december 1999 dient belanghebbende de motivering van het beroep in.

Nadat de inspecteur zijn vertoogschrift (met bijlagen) heeft ingezonden, hebben partijen conclusies gewisseld. Vervolgens heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 18 juni 2001, gehouden te Groningen, alwaar aanwezig waren belanghebbende en de inspecteur.

Ter zitting heeft belanghebbende de door hem ter zitting voorgedragen pleitnota overgelegd. De inspecteur heeft ook de door hem voorgedragen pleitnota overgelegd.

Het hof heeft in deze zaak op 2 juli 2001 in het openbaar mondeling uitspraak gedaan, waarvan het proces-verbaal bij aangetekend schrijven, ter post bezorgd op 6 juli 2001, aan partijen is verzonden.

Bij schrijven ingekomen op 1 augustus 2001 heeft belanghebbende op de wijze als bedoeld in artikel 17b Wet administratieve rechtspraak belastingzaken verzocht de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. De griffier heeft belanghebbende bij aangetekend schrijven, ter post bezorgd op 7 augustus 2001, gewezen op het verschuldigde griffierecht ad ƒ 150, - en de belanghebbende heeft vervolgens omstreeks 3 september 2001 dat griffierecht voldaan. Van de voldoening van dit griffierecht is door de financiële administratie geen melding gemaakt aan het hof.

Van alle vermelde (en hierna nog te melden) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.1 Belanghebbende, geboren op 10 januari 1969, was geheel 1997 ongehuwd. In 1997 en 1998 stond belanghebbende als deeltijdstudent ingeschreven bij de Rijksuniversiteit Groningen. Daarvoor studeerde belanghebbende ook aan deze universiteit. Tot 6 juni 1997 woonde belanghebbende volgens de gemeentelijke basisadministratie aan de a-heerd 14 te L. Hij voerde daar met de heer A, zijn huisgenoot, een gemeenschappelijke huishouding. In zijn aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1996 is door belanghebbende en zijn huisgenoot verzocht om overdracht van de basisaftrek door de huisgenoot aan belanghebbende.

2.2 Volgens de gemeentelijk basisadministratie woonde belanghebbende van 6 juni 1997 tot 20 februari 1998 aan de a-weg 20 te Z, het ouderlijk huis van belanghebbende. Daarna is hij volgens de gemeentelijke basisadministratie weer op het voormeld adres in L gaan wonen, alwaar de heer A nog woonde. Op dit adres heeft belanghebbende tot 1 juli 2001 gewoond. In 1997 heeft belanghebbende drie bankrekeningen met als postadres het voormeld adres in L.

2.3 In de periode van 2 juni 1997 tot 9 januari 1998 is belanghebbende door een uitzendbureau gedetacheerd bij de B en bij de C. Deze detachering was tijdelijk van aard. In verband met het aanvaarden van deze detachering is belanghebbende, na zeven jaar gewoond te hebben in L, teruggekeerd naar zijn ouderlijke woning te Z. Hij heeft meegenomen zijn bed, een aantal kasten en zijn computer. De wasmachine, de centrifuge en het diepvriesapparaat zijn verkocht aan de heer A. In verband met de computer zijn in de woning te Z kabels aangelegd. Ook zijn door de terugkeer van belanghebbende enige lampen in deze woning vervangen. Op 15 januari 1998 is belanghebbende in dienst getreden bij een uitzendbureau te L teneinde door dit bureau gedetacheerd te worden bij D. Hij keerde toen weer terug naar de a-heerd 14 te L.

2.4 Alhoewel hij vanaf juni 1997 in Z verbleef, kwam belanghebbende met enige regelmaat terug in L teneinde onder meer in 1997 tentamens af te leggen, dan wel werkzaamheden voor zijn scriptie te verrichten, dan wel vrienden aldaar te bezoeken. Hij heeft in deze periode ook een paar keer op het adres aan de a-heerd 14 te L overnacht.

2.5 Aan belanghebbende werd voor het onderhavige jaar een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 31.854, -. Daarbij heeft de inspecteur het door belanghebbende als verhuiskosten opgevoerde bedrag van ƒ 4.847, - niet als aftrekbare beroepskosten aanvaard. Op het bezwaar van de belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak de aanslag gehandhaafd.

3. Het geschil en de standpunten van partijen

In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende recht heeft op aftrek van het bedrag van ƒ 4.847, - op grond van artikel 36, tweede lid, aanhef en onderdeel d, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (: de Wet). Deze vraag beantwoordt belanghebbende bevestigend, de inspecteur ontkennend.

Voor een uitgebreidere weergave van de standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken.

4. Rechtsverwegingen

4.1 Ingevolge artikel 35, eerste lid, juncto artikel 36, tweede lid, aanhef en onderdeel d, van de Wet wordt het gezamenlijke bedrag van de kosten die verband houden met een verhuizing in aanmerking genomen met inachtneming van de volgende normering: de kosten van het overbrengen van de inboedel, vermeerderd met 12 percent van de jaarinkomsten of het tot de jaarinkomsten herleide bedrag van de in het kalenderjaar genoten inkomsten in verband met de werkzaamheden waarvoor de belastingplichtige verhuist, doch met niet meer dan ƒ 12.000, -.

4.2 De parlementaire geschiedenis inzake voormeld artikel vermeldt onder meer het volgende:

- "… Met betrekking tot verhuiskosten (artikel 36, tweede lid, onderdeel d) zijn er in de praktijk vaak lastige discussies over wat onder - aftrekbare - herinrichtingskosten moet worden verstaan. Uiteindelijk komt het er vrijwel altijd op neer dat, naast de kosten van verhuizing van de boedel, 12% van het jaarloon kan worden afgetrokken. Om tegemoet te komen aan de uitvoeringspraktijk wordt voorgesteld deze 12%-norm thans als forfait in de wet op te nemen…. " (MvT, Wet van 13 december 1996, Stb. 655, Kamerstukken II, vergaderjaar 1996/97, 25 051, nr. 3, blz. 18);

- "… Wat betreft dit maximum van ƒ 12 000 is op globale wijze aansluiting gezocht bij de verhuiskostenregeling voor rijksambtenaren. Deze regeling is neergelegd in artikel 6, tweede lid, van het Verplaatsingskostenbesluit 1962 (Stb. 150). Ingevolge deze bepaling wordt een maximale vergoeding gesteld op 12 percent van het jaarsalaris inclusief de vakantieuitkering. behorende bij het maximum van schaal 150 (thans schaal 14). Vanaf 1 september 1987 geldt hiervoor een bedrag van ƒ 12 665,55. Hierbij dient te worden bedacht dat dit bedrag uitsluitend betrekking heeft op een vergoeding voor in beginsel aftrekbare kosten andere dan de kosten van overbrenging van de inboedel. Laatstbedoelde kosten kunnen immers daarnaast onbelast worden vergoed. Deze overige kosten betreffende hoofdzakelijk het pasklaas maken van overgebrachte stoffering, alsmede de kosten voor het noodzakelijke opknappen van de nieuwe woning, waaronder moet worden verstaan de kosten, die een ieder, die deze woning zou hebben willen betrekken, zou hebben moeten maken om haar in een redelijke staat te brengen (bijvoorbeeld het weer ophangen van gordijnen, het weer aansluiten van telefoon, gas en elektriciteit, alsmede de schoonmaakkosten, binnenschilderwerk- en behangkosten)…" (MvA, Wet van 27 april 1989, Stb. 123, Kamerstukken II, 20 873, nr. 5, blz. 68).

4.3 Nu in de parlementaire geschiedenis wordt gesproken van "naast de kosten van verhuizing van de boedel" en "andere dan de kosten van de overbrenging van de inboedel", leidt het hof hieruit af dat er in de zin van artikel 36, tweede lid, aanhef en onderdeel d, van de Wet sprake is van een verhuizing indien de inboedel wordt overgebracht naar de nieuwe woning en indien sprake is van herinrichtingskosten veroorzaakt door een bepaalde omvang van herinrichtingwerkzaamheden. Zoals blijkt uit de feiten neemt belanghebbende in 1997 zijn bed, een aantal kasten en zijn computer mee naar zijn ouderlijke woning te Z, alwaar ook herinrichtingskosten gemaakt worden. De herinrichtingskosten bestaan uit de kosten voor het aanleggen van kabels en voor het vervangen van lampen. Het hof acht het overbrengen van de voormelde zaken en de geringe omvang van voormelde herinrichtingwerkzaamheden niet voldoende om de terugkeer van belanghebbende in 1997 naar het ouderlijk huis als een verhuizing aan te merken. Redengevend hiervoor is het volgende:

In verband met het aanvaarden van een tijdelijke detachering door een uitzendbureau keert belanghebbende in 1997 terug naar zijn ouderlijk huis. Het hof maakt hieruit op dat de terugkeer van belanghebbende naar zijn ouderlijk huis van tijdelijke aard was, hetgeen in zijn geval voor de hand lag gelet op het feit dat belanghebbende zeven jaar lang niet meer in op zijn ouderlijk adres woonde. Uit het verzoek om de overdracht van de basisaftrek leidt het hof af dat de relatie van belanghebbende met zijn huisgenoot van zodanige aard was dat belanghebbende in 1997 kon blijven beschikken over de woonruimte aan de a-heerd 14 te L. Dit blijkt ook uit de onder punt 2.4 vermelde overnachtingen. Belanghebbende is na beëindiging van de tijdelijke detachering daadwerkelijk ook teruggekeerd op het voormelde adres te L. Gelet hierop en op de geringe omvang van de overgebrachte inboedel en op de geringe omvang van de herinrichtingwerkzaamheden is van het hof van oordeel dat ter zake van de tijdelijke terugkeer in 1997 van belanghebbende naar zijn ouderlijk huis van een van een verhuizing in de zin van artikel 36, tweede lid, aanhef en onderdeel d, van de Wet niet gesproken kan worden. Het beroep van belanghebbende op de beleidsmededeling van de Directie Particulieren Utrecht, VN 1992, blz. 2419, faalt nu van een verhuizing geen sprake is.

4.4 Het voorgaande in ogenschouw nemende leidt tot geen andere conclusie dan dat een verhuizing in 1997 van L naar Z niet heeft plaatsgevonden.

4.5 Het beroep is ongegrond.

4.6 Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. De beslissing

Het hof bevestigt de uitspraak van de inspecteur.

Gedaan op 1 maart 2002 door mr. Drion, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr. De Jong-Braaksma als griffier en ondertekend door voornoemde vice-president en door voornoemde griffier.

Op 6 maart 2002 afschrift

aangetekend verzonden aan beide

partijen.

De griffier van het Gerechtshof

te Leeuwarden.