Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2002:AD9873

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
01-03-2002
Datum publicatie
06-03-2002
Zaaknummer
BK 238/01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2004:AI0719
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2004:AI0719
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2002-0581
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 238/01 1 maart 2002

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, eerste enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z

(: belanghebbende) tegen de uitspraak van het hoofd van het Team Energiepremies te Emmen, onderdeel van de Belastingdienst Grote Ondernemingen Groningen (: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen het niet toekennen van de energiepremie door het energiebedrijf.

1. Ontstaan en loop van het geding

Op 8 januari 2001 is het verzoek van belanghebbende strekkende tot toekenning van de energiepremie door het energiebedrijf (Nuon) afgewezen. Vervolgens is op 7 februari 2001 op het door belanghebbende ingediende verzoek strekkende tot heroverweging door de inspecteur negatief beslist. Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 13 maart 2001 wederom afwijzend beslist. Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen), hetwelk op 29 maart 2001 is ingekomen. Van belanghebbende is voorts op 4 april 2001 een brief d.d. 2 april 2001 ingekomen. De inspecteur heeft een verweerschrift (met bijlagen) ingezonden. Op 18 juli 2001 is een schrijven van belanghebbende ter griffie van het hof ingekomen. De toestemming tot het indienen van dit als conclusie van repliek aangemerkt schrijven is door het hof ambtshalve verleend. Aan de inspecteur werd een afschrift hiervan verzonden. De inspecteur heeft vervolgens een conclusie van dupliek ingezonden, welke conclusie van dupliek ter griffie van het hof is ingekomen op 24 augustus 2001 en waarvan een afschrift werd verzonden aan belanghebbende. Daarna zijn op 6 september 2001 en op 13 november 2001 brieven (met bijlagen) respectievelijk d.d. 4 september 2001 en 11 november 2001 van belanghebbende ter griffie van het hof ingekomen. Een afschrift van deze brieven werd gezonden aan de inspecteur met de mededeling dat hij bij de mondelinge behandeling van de zaak op voormelde brieven van belanghebbende zou mogen reageren. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 4 december 2001, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren belanghebbende, zomede de inspecteur, vergezeld van de heer A, de heer B en de heer C.

Het hof heeft in deze zaak op 18 december 2001 in het openbaar mondeling uitspraak gedaan, waarvan het proces-verbaal bij aangetekend schrijven, op 28 december 2001, aan partijen is verzonden.

Bij een op 7 januari 2002 ter griffie ingekomen brief heeft belanghebbende verzocht de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Het daartoe verschuldigde griffierecht is op 22 januari 2002 voldaan.

Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

Op 1 mei 2000 heeft belanghebbende een kerkgebouw gekocht. Korte tijd na aankoop heeft belanghebbende met een installatiebedrijf afspraken gemaakt voor een grondige verbouwing van het kerkgebouw. Belanghebbende is vanaf de datum van aankoop in het kerkgebouw gaan wonen en wilde de kerk voor bewoning geschikt maken. Met het oog hierop zijn de volgende voorzieningen aangeschaft; een C.V. ketel, 110 m2 lage temperatuur C.V. met vloerverwarming en 115 m2 spouwmuurisolatie.

Belanghebbende heeft in verband met de aanschaf van de isolerende maatregelen een verzoek om toekenning van de energiepremie ingediend bij het energiebedrijf. Het energiebedrijf heeft het verzoek afgewezen overwegende dat niet sprake is van een bestaande woning. Belanghebbende heeft vervolgens een verzoek tot heroverweging ingediend bij het de inspecteur. Hierop is negatief beslist, evenals op het nadien door belanghebbende ingediende bezwaarschrift.

3. Het geschil en de standpunten van partijen.

In geschil is het antwoord op de vraag of de inspecteur het bezwaar tegen het niet toekennen van de energiepremie door het energiebedrijf terecht heeft afgewezen. Bij het beantwoorden van deze vraag is van belang of er sprake is van een woning in de zin van de energiepremieregeling, dan wel of sprake is van opgewekt vertrouwen van de zijde van het energiebedrijf.

Belanghebbende is van mening dat het verzoek tot toekenning van de energiepremie ten onrechte is afgewezen. Het kerkgebouw waarin hij sinds 1 mei 2000 woont dient zijns inziens, vanaf dat moment te worden beschouwd als een woning in de zin van de energiepremieregeling.

Voor een meer uitvoerige motivering van de standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken.

Ter zitting hebben partijen hun standpunten gehandhaafd zonder daartoe nadere gronden aan te voeren.

4. De overwegingen omtrent het geschil.

Met ingang van 1 januari 2000 is de energiepremieregeling (: EPR) in werking getreden. Deze regeling vindt haar wettelijke grondslag in de Wet Belastingen op Milieugrondslag (: Wbm), Hoofdstuk V-a Regulerende Energiebelasting artikel 36a en artikel 36p. De wijzigingen hebben betrekking op de regulerende energiebelasting (: REB) en behelzen de invoering van positieve prikkels voor huishoudens in de vorm en energiepremies die huishoudens kunnen verwerven indien een energiezuinig apparaat wordt aangeschaft, of een energiebesparende maatregel aan de woning wordt getroffen.

Uit artikel 36p, tweede lid Wbm volgt dat het energiebedrijf de energiepremie alleen kan toekennen indien de verzoeker eigenaar, huurder of verhuurder is van een als woning gebruikte onroerende zaak. Onder woning wordt onder andere verstaan; "een voor permanente bewoning bestemd gebouw. " In de EPR, paragraaf 1, algemene bepalingen, artikel 1.27.a wordt het begrip woning gedefinieerd.

Ter zitting heeft belanghebbende desgevraagd meegedeeld dat hij voor de aan het kerkgebouw uitgevoerde verbouwing circa een halfjaar geleden een bouwvergunning heeft verkregen. De omstandigheid dat voor de onroerende zaak recentelijk een bouwvergunning is afgegeven teneinde deze voor bewoning geschikt te maken, betekent dat de onroerende zaak op grond van de Regeling Energiepremie, paragraaf I, algemene bepalingen, artikel 1.20 aangemerkt dient te worden als een nieuwbouwwoning. Uit het eerste lid van artikel 13, paragraaf 3.I.I. van de hiervoor vermelde regeling volgt dat een woning niet aan de gestelde criteria voldoet indien sprake is van een woning welke behoort tot de categorie nieuwbouw. Namens de inspecteur is hieromtrent ter zitting onbestreden gesteld dat deze uitzondering is opgenomen in verband met de aan een woning waarvoor nà 1 januari 1998 een bouwvergunning is afgegeven gestelde energie-eisen.

Resumerend; de EPR is in het leven geroepen teneinde door middel van positieve prikkels het treffen van energiebesparende maatregelen aan een woning te stimuleren. Belanghebbende was hiertoe echter alreeds gehouden op grond van de aan hem afgegeven bouwvergunning.

Voorzover belanghebbende aanvoert dat sprake is van opgewekt vertrouwen zijdens het energiebedrijf overweegt het hof het volgende. Aan de omstandigheid dat het energiebedrijf, alvorens omtrent het verzoek van belanghebbende inhoudelijk te beslissen, nadere informatie aan belanghebbende heeft gevraagd, kon belanghebbende in redelijkheid niet het vertrouwen ontlenen dat aan de basisvoorwaarden voor toekenning van het verzoek reeds was voldaan.

5. De conclusie.

Het vorenoverwogene brengt mee dat de inspecteur het bezwaar van belanghebbende terecht heeft afgewezen, zodat het hof het beroep ongegrond zal verklaren.

6. De proceskosten.

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. De beslissing.

Het gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Gedaan op 1 maart 2002 door prof. mr Aardema, vice-president, in tegenwoordigheid van de griffier mevrouw mr De Jong en ondertekend door voornoemde vice-president en door voornoemde griffier.

Afschrift aangetekend aan beide partijen verzonden

op: 6 maart 2002

De griffier van het Gerechtshof te Leeuwarden.